Tijdens de eerste volksopstand loopt El Fassed mee in demonstraties, maar hij leert al gauw dat hij niet in de wieg is gelegd om stenen te gooien. Hij ziet niet alleen onderdrukking van Israëlische zijde, maar ook corruptie aan de Palestijnse kant. In een ooggetuigenverslag vertelt hij het verhaal van het Palestijnse volk dat een zo normaal mogelijk leven probeert te leiden tussen de opstanden en huisarresten door. Want ook Palestijnen houden van lekker eten, feesten en een goed gesprek bij de groenteboer op de hoek.
Auteur: Arjan El Fassed
Uitgeverij Nieuwland, 2008
ISBN 9789086450275
ISBN10 908645027X
ca. 251 pagina's
Formaat 13,5 x 21,6 cm
Shownotes #1 - de aanslag
Op 2 juni 1980 verloor hij zijn beide benen door een autobom. Op dezelfde dag vonden ook aanslagen plaats op de burgemeesters van Ramallah en El-Bireh. De aanslagen werden gepleegd door de kolonisten beweging. In het voorjaar van 1982 werd hij door het Israëlische militaire gezag afgezet.
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, AVRO Televizier Magazine, IKON Kenmerk en UN Audiovisual Library.
VN resolutions: A/RES/34/29 (1979); S/RES/471 (1980)
Kamervragen: Vragen van de leden De Vries (PvdA), Aarts (CDA), Schaper (D66), Van der Spek (PSP), Waltmans (PPR) en Bolkestein (VVD) aan minister Van der Stoel over het niet-afgeven van een uitreisvisum door Israël (10 november 1981)
Documentaires: The Gatekeepers, Dror Moreh (2012); The Jewish Underground, Shai Gal (2017)
Artikelen: Move to oust mayor; reversed by Israel, New York Times, 6 December 1979; Profiling the Palestinian Mayors, CS Monitor, 9 July 1980; Israel fires two mayors in West Bank, Washington Post, 26 March 1982; Israel names two officers charged in terrorism, New York Times, 4 juni 1984.
Archief: The Bassam Shak’a Collection; Sub-1: Photographs; Sub-2: Documents
Deze podcast eenvoudig delen kan via deze link: podcast.link/niksg
Script #1 - de aanslag
In deze aflevering gaan we terug naar het voorjaar van 1976. Nederland was in de ban van de Lockheed-affaire - en in Den Haag vond het Eurovisiesongfestival plaats. Mijn familie in Palestina leeft net als de rest van de Palestijnse bevolking sinds 1967 onder een militaire bezetting.
Israël heeft in rap tempo nieuwe nederzettingen gebouwd en Palestijnen protesteren tegen de onteigening van hun land. Ook zijn lokale verkiezingen aangekondigd. Mijn oom heeft zich kandidaat gesteld. Hij is onderdeel van een nieuwe generatie onafhankelijke leiders die voor het eerst hun steun uitspreken voor de PLO - de Palestijnse bevrijdingsorganisatie in ballingschap. De meeste Palestijnen durfden nog niet openlijk hun steun te betuigen.
Bassam vertelde me ooit dat hij politiek actief was omdat zijn familie land en sinaasappelgaarden had verloren in wat Israël werd. Hij ging toen hij jong vaak met z’n vader mee langs de boeren en had gehoopt dat later ook te kunnen doen. Israël had gehoopt dat bij de verkiezingen Palestijnen zouden kiezen voor traditionele politici die makkelijk zouden meewerken met de bezetting. De uitslag was anders.
Mijn oom en de onafhankelijke nieuwe politici wonnen met een overgrote meerderheid de verkiezingen. Mijn oom Bassam werd de jongste burgemeester van Nabloes - na Jeruzalem, de grootste stad op de Westelijke Jordaanoever.
Als kersverse burgemeester organiseerde hij samen met de andere nieuw gekozen burgemeesters verschillende politieke bijeenkomsten, demonstraties en andere vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid. Israël reageerde fel op protesten met collectieve strafmaatregelen, zoals uitgaansverboden, de sluiting van scholen en massa-arrestaties.
En dan op 17 september 1978 tekenden Israël en Egypte de Camp David akkoorden.
De nieuw gekozen burgemeesters waren zeer kritisch over deze onderhandelingen. Zonder direct met Palestijnen te praten werd tussen Israël en Egypte ook de toekomst van Palestijnen besproken. Mijn oom en zijn collega burgemeesters geloofden dat beperkt zelfbestuur maar weinig te maken had met de vrijheid waar zij als Palestijnen naar snakken. Je hoort de burgemeester van Ramallah.
In november 1979 leidde Bassam het verzet tegen de bouw van Elon Moreh - een nederzetting vlakbij Nabloes op onteigend land van Palestijnen. Het protest had succes. De zaak werd voor de Hoge Raad gebracht en de onteigening werd onwettig verklaard. Kolonisten van de Gush Emunim beweging waren woedend.
De kolonisten werden gesteund door het leger en de nieuwe rechtse regering van Israël met Premier Begin en minister Sharon. Nieuwe nederzettingen werden aangekondigd en de bouw en landonteigeningen gingen versneld door. De rechtse regering in Israël en de kolonisten waren de gekozen Palestijnse burgemeesters liever kwijt dan rijk.
Op 6 november 1979 had Bassam een gesprek met een Israëlische generaal. Het onderhoud ging over de economische toestand en over de behandeling van Palestijnen in Israëlische gevangenissen. Tijdens het gesprek vroeg de generaal mijn oom naar zijn mening over een Palestijnse aanslag op een Israëlische bus in 1978.
“Ik ben tegen geweld, zowel van Israëlische als van Palestijnse kant, maar zolang de bezetting voortduurt, kun je geweld verwachten.”
De volgende dag werden zijn woorden in een Israëlische krant verdraaid. Het leek net alsof hij de aanslagen zou goedkeuren. Het kwaad was geschied. Het Israëlische parlement schreeuwde moord en brand en na een gesprek met de rechtse premier Begin maakte de minister van Defensie Ezer Weizman bekend dat Bassam gedeporteerd zou worden.
Op 11 november werd mijn oom gearresteerd en overgebracht naar een detentiecentrum in Ramleh. Israël maakte de specifieke aanklacht niet bekend maar noemde wel zijn verzet tegen de bezetting.
Om het deportatiebesluit aan te vechten nam hij de bekende Israëlische advocaat Felicia Langer in de arm. Zij maakte de zaak aanhangig bij de Israëlische Hoge Raad. Uit protest tegen het deportatiebesluit gingen Palestijnen de straat op. De andere burgemeesters dreigden hun ambt neer te leggen. Diezelfde week veroordeelde de Verenigde Naties - met resolutie 34/29 - Israels plan mijn oom het land uit te zetten.
Op 22 november stelde de Israëlische Hoge Raad de deportatie uit. De hoogste rechter vond dat Bassam in beroep moest gaan bij het Israëlische militaire bestuur van de Westelijke Jordaanoever.
Hij werd teruggestuurd naar de gevangenis in Ramleh. Zijn advocate Felicia Langer bracht naar voren dat deportatie van personen uit bezet gebied verboden was volgens de Geneefse Conventies. Buiten de militaire rechtbank stonden honderdvijftig Palestijnen en Israëli’s te wachten op het besluit.
Pas op 5 december werd Bassam onder nationale en internationale druk vrijgelaten. De Verenigde Staten en Egypte hadden Israël verzocht de deportatie terug te draaien. Een dag later trok minister van Defensie Ezer Weizman het deportatie besluit in. Mijn oom mocht terug naar Nabloes.
‘Het verdraaien van mijn woorden en alle maatregelen die ze tegen mij hebben genomen zijn onrechtvaardig’, zei Bassam bij aankomst in de stad.
Duizenden inwoners van Nabloes begroetten de vrijgelaten burgemeester. Bij de ingang van de stad werd hij op de schouders gehesen. De burgemeesters die hun werk hadden neergelegd namen hun functies weer op, maar de Israëlische autoriteiten en het leger probeerden hun functioneren onmogelijk te maken. De burgemeesters mochten hun steden niet uit en het werd hen verboden te reizen naar het buitenland.
Een paar maanden later lukte het Israël toch twee burgemeesters het land uit te zetten. Op 3 mei 1980 werden de burgemeesters van Halhoul en Hebron uit hun huizen gehaald en naar de grens met Libanon gebracht. Daar kregen ze te horen dat ze gedeporteerd waren. Je hoort de burgemeester Mohammed Milhelm van Halhoul. Israël hield de burgemeesters verantwoordelijk voor een aanslag op kolonisten in Hebron. Net als het jaar ervoor bij Bassam veroordeelde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dit deportatie besluit.
In dezelfde week richtten twee kolonisten, Menachem Livni en Yehuda Etzion, volgelingen van Gush Emunim, een ondergrondse Joodse terreurgroep op. Een maand later op 2 juni 1980 - om kwart voor acht - klinkt in Nabloes het geluid van een explosie.
Mijn neef Nidal zat in de laatste klas van de middelbare school. Normaal ging hij elke dag met de tien jaar oude Opel van zijn vader naar school maar hij moest studeren voor zijn examens. Mijn nichtje Ghadir zou op de dag van de aanslag met haar vader meegaan. Het scheelde weinig of zij had ook in de auto gezeten. Ze was toen 4 jaar. Op het moment van de explosie stond ze met haar moeder minder dan tien meter van de auto af. Mijn tante beschermde haar met haar lichaam. Nidal rende naar de auto en nam zijn vader in zijn armen.
Een kwartier later raakt de burgemeester van Ramallah zwaargewond. Ook onder zijn auto ontplofte een bom toen hij probeerde te starten. Een derde bom ontplofte onder de auto van de burgemeester van El-Bireh, Ibrahim Tawil. Hij bleef ongedeerd, maar een explosievenexpert die de bom onschadelijk probeerde te maken, raakte ernstig gewond. De burgemeester van El-Bireh was gewaarschuwd door het nieuws van de eerdere aanslagen die dag.
Het Israëlische militaire bestuur snoerde de andere burgemeesters meteen de mond. Het werd hen verboden met de pers te spreken en hun steden te verlaten. Zij riepen uit protest op tot een algemene staking.
Terwijl het Israëlische leger hardhandig winkels probeerde te openen, groeide de onrust op de Westelijke Jordaanoever. Het Israëlische leger zette wegen af en grendelde de belangrijkste steden af. Ik was zes jaar toen ik dit nieuws over mijn oom hoorde. Thuis in Vlaardingen zagen we mijn oom op het journaal. Hij was zijn beide benen kwijtgeraakt en zei: “Ze hebben mijn benen van me afgenomen, maar dit betekent alleen dat ik dichter bij mijn land ben.”
‘Ze hebben mijn benen afgerukt, maar dat betekent alleen maar dat ik dichter bij mijn land ben’, zei hij. ‘Ik heb mijn hart, mijn verstand en een rechtvaardig doel om voor te strijden, ik heb geen benen nodig.’
Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis kreeg Bassam bezoek van vele hoogwaardigheidsbekleders. Op 5 juni 1980 werden de aanslagen in een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties veroordeeld. Veertien leden steunden de resolutie met nummer 471. De Verenigde Staten onthielden zich van stemmen. Een maand later keerde Bassam terug naar Nabloes.
En vervolgens vertrok hij op uitnodiging van de Franse president Giscard d’Estaing naar Parijs voor een medisch onderzoek. Na zijn verblijf in Parijs reisde hij door naar Londen, waar hem kunstbenen werd aangemeten. Een uitnodiging van president Carter om naar de Verenigde Staten te komen sloegen de burgemeesters af.
Op 6 januari 1981 keerde hij terug naar Nabloes. Israël had besloten dat de inwoners van Nabloes hem niet feestelijk mochten onthalen. Toch stonden duizenden Palestijnen langs de route en zwaaiden met de verboden Palestijnse vlag. Toeterende auto’s reden achter de gele taxi die mijn oom naar Nabloes bracht. Aangekomen bij zijn stad, werd hij letterlijk op handen binnengedragen.
De aanslagen op de burgemeesters hadden een averechts effect. Sommige lokale leiders groeiden uit tot nationale helden. Om zijn uitingsvrijheid te beperken, plaatste het Israëlische militaire bestuur hem onder huisarrest.
Iedereen had al snel het vermoeden dat de kolonisten en de Israëlische regering achter deze aanslagen zaten. Minister van Defensie Ezer Weizman had hem vlak voor de aanslag gezegd dat hij fysiek zou lijden als hij zou doorgaan met zijn verzet tegen de bezetting.
Ze kwamen er ook achter dat de telefoonlijnen van het huis en het ziekenhuis waren afgesneden. Toen de ambulance op weg naar Jordanië bij de Damia brug arriveerde, werd hem de toegang ontzegd. Hij mocht alleen via de Allenby brug naar de Jordaanse hoofdstad. Hierdoor werd zijn aankomst in het ziekenhuis in Amman met een uur vertraagd.
Ook waren in de tuin van mijn oom voetafdrukken gevonden. Toen dit werd gemeld, kwam het leger kijken en veegden ze met hun voeten de afdrukken weg.
De belangrijkste posities in het Israëlische kabinet werden bezet door politici die de kolonisten steunden. Ariel Sharon had de positie van Weizman overgenomen en ook de legertop steunden de kolonisten.
Je hoort oud-Shinbet baas Carmi Gillon. In de documentaire The Gatekeepers uit 2012 bevestigt hij de verwevenheid tussen de regering en de kolonisten.
Een maand voor de aanslag had het Israëlische leger een middelbare scholier gedood in het dorpje Anabta vlakbij Nabloes. Mutsafi Shalom, de Israëlische militaire gouverneur, had tegen de vader van de scholier gezegd dat hij liever had gezien dat de zoon van mijn oom en de zoon van Hilmi Hanoun, de burgemeester van Tulkarem, waren doodgeschoten.
Dezelfde gouverneur probeerde de dag na de aanslag een bezoek te brengen aan mijn familie. Hij werd niet binnengelaten.
Wanneer er in een Palestijnse stad een explosie te horen is, komen de soldaten er altijd meteen op af. Nadat de bom in de auto van mijn oom was ontploft, kwamen ze niet. Het hoofd van de Israëlische veiligheidsdienst had zijn ontslag ingediend, omdat de regering-Begin het onderzoek naar de bomaanslagen had gestaakt.
In november van 1981 zou Bassam op uitnodiging van politieke partijen in Nederland een bezoek brengen aan Nederland. Israel weigerde hem een uitreisvisum te verstrekken. In antwoord op vragen van PvdA kamerlid Klaas de Vries en VVD kamerlid Frits Bolkestein bevestigde de toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel dat Israël te kennen had gegeven dat zij gezien zijn politieke activiteiten het geven van een uitreisvisum aan de burgemeester van Nabloes niet opportuun achten. Ze bedoelde dat Bassam de bezetting meerdere malen had bekritiseerd in het buitenland. Hij mocht onder geen beding Nabloes verlaten.
Toen het huisarrest was opgeheven, liep Bassam dagelijks met zijn kunstbenen naar het gemeentehuis. Overal waar hij ging, reed een Israëlische leger jeep met vijf soldaten achter hem aan. Palestijnse en Israëlische journalisten mochten niet met hem praten. Het leger intimideerde iedereen die met hem probeerde te spreken.
Uit een opiniepeiling van het Amerikaanse weekblad Time onder Palestijnen in de bezette gebieden bleek hoe populair ze waren. Bassam werd door 68 procent van de respondenten als belangrijkste leider gezien. Toen het Israëlische bestuur zich realiseerde dat de repressieve maatregelen niet hielpen om de invloed van de burgemeesters en andere lokale leiders te verminderen, nam het een drastische maatregel.
Op 18 maart 1982 werd de gemeenteraad van El Bireh ontbonden en werd burgemeester Ibrahim Tawil afgezet. Een week later ondergingen de burgemeesters van Nabloes en Ramallah hetzelfde lot.
Op 2 april 1982 spraken de Verenigde Staten een veto uit over een resolutie van de vn Veiligheidsraad waarin het afzetten van de burgemeesters werd veroordeeld.
Het besluit de burgemeesters te ontslaan leidde tot een volksopstand in Palestijnse steden en dorpen. Palestijnen gingen massaal de straat op. Het Israëlische leger reageerde hardhandig. Binnen twee maanden vielen meer doden dan in de voorafgaande jaren van bezetting tezamen. Universiteiten en scholen gingen maandenlang op slot, ouders werden gestraft voor de deelname van hun kinderen aan demonstraties en langdurige uitgaansverboden werden ingesteld.
Vier jaar na de aanslagen, in juni 1984, werden 27 Israëli’s opgepakt en in staat van beschuldiging gesteld. De groep werd met de hulp van de Israëlische regering alweer snel vrijgelaten. Je hoort nogmaals voormalig geheime dienstbaas Carmi Gilon.
De groep die verantwoordelijk was voor de aanslagen waren niet alleen toen al verweven met het regime maar bestond ook uit latere leden van het Israëlische parlement, regerings adviseurs en invloedrijke personen in de radicale kolonisten beweging. Een documentaire over de groep van Shai Gal laat dat duidelijk zien. Een van de daders van de bomaanslag op mijn oom, was zelfs politiek adviseur van een recente premier van Israël, Naftali Bennet.
Nadat de burgemeesters waren gedeporteerd, afgezet en monddood gemaakt,, werd de weg vrijgemaakt voor de kolonisten. In 1984 werd het aantal nederzettingen verdubbeld en groeide het aantal kolonisten in bezet gebied exponentieel.
Shownotes #2 - de opstand
Op 1 augustus 1989 wordt een neef opgepakt door het Israelische leger en tijdens zijn verhoor gemarteld. Begin 1992 wordt hij opnieuw gearresteerd. Tijdens die periode overleed een Palestijn in dezelfde gevangenis waar zijn neef werd verhoord. Ook hij bezwijkt bijna onder de mishandeling
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, CBS, AP, Freeze Frame, Ha'aretz, 14 januari 2011 en UN Audiovisual Library
Rapporten: A Nation Under Siege, Al Haq, 1989; The Interrogation of Palestinians During the Intifada, B'Tselem, 1992; Israeli Interrogation Methods under Fire after Death of Detained Palestinian, Human Rights Watch, 1994.
Artikelen: Critics Decry Israeli Prison Abuses, CSM, 18 maart 1992; The First Intifada, IPS - The Interactive Encyclopedia of the Palestine Question; Fear of torture or ill-treatment, Amnesty, March 1992 (MDE 15/05/92).
Documentaires: Advocate, Rachel Leah Jones and Philippe Bellaïche (2019); Naila and the Uprising, Julia Bacha (2017); The Wanted 18, Amer Shomali and Paul Cowan (2014); Days of Rage: The Young Palestinians, Jo Franklin-Trout (1989)
Deze podcast eenvoudig delen kan via deze link: podcast.link/niksg
Script #2 - de opstand
In de tweede aflevering gaan we terug naar 1988. In Nederland is iedereen in de ban van het Europees kampioenschap voetbal en het succes van Oranje.
Halverwege het toernooi reis ik met mijn ouders naar Palestina. Ik was bijna 15 en zat op de middelbare school. Het was die zomer geen camping in Frankrijk maar deze vakantie bestond uit avondklok, demonstraties, soldaten, stenen, spanning en angst, controles en geheime pamfletten.
Elke dag ging ik met m’n neven de stad in. Er was een algemene staking en alle winkels gingen om twaalf uur dicht uit protest. Die zomer was de eerste intifada in volle gang. Het woord intifada betekent letterlijk ‘beving’ of ‘opschudding’. Al snel kreeg het de naam van de Palestijnse opstand tegen de Israëlische bezetting.
Tijdens ons verblijf in Ramallah gingen we met onze neven de straat op. Ik vond het spannend en wist niet wat ik kon verwachten. Studenten staken autobanden in de brand en begonnen leuzen te roepen. Na enkele minuten kwamen de soldaten - die vervolgens met stenen werden bekogeld. Auto’s en bussen proberen zo snel mogelijk weg te komen. Enkele studenten worden opgepakt. We stonden van een afstand te kijken. Opeens kwamen de jongeren onze kant op.
Er werd tegen ons gezegd dat als de soldaten de hoek omkomen wij vooral rusten moesten blijven en zeker niet moesten gaan rennen. We liepen langzaam naar het einde van de straat. Een groep jongeren rende ons voorbij. Linksaf door de bosjes en de tuinen. Wij gingen naar rechts. Ik zag de soldaten achter ons aankomen. Ze waren zwaar bepakt. Wij liepen rustig door alsof er niets aan de hand was.
Toen de soldaten ons hadden ingehaald, werden we hard tegen een muur aangedrukt. We moesten onze papieren laten zien en onze handen open vouwen. Hiermee moesten we bewijzen dat we geen stenen hadden gegooid. Er zat geen wit gruis aan mijn handen. Ik had geen steen aangeraakt. Toen ze zagen dat we uit Nederland kwamen, boden ze hun excuses aan. De studenten waren weggerend en wij hadden ons gewillig door de intifada laten gebruiken voor dit spel. In de verte hoorden we schoten en zagen we witte pluimen van traangas.
Die avond wint Nederland met 2-1 van Duitsland.
Diezelfde zomer brachten premier Lubbers en zijn minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek een bezoek aan het gebied. Premier Lubbers nam deel aan een staatsdiner met de premier van Israël. Een paar dagen ervoor had Lubbers tegen journalisten gezegd dat Israël zich moest terugtrekken uit de bezette gebieden.
We hoorden dat minister Van den Broek een bezoek zou brengen aan Qalandia - een vluchtelingenkamp langs de weg tussen Jeruzalem en Ramallah. Dit onverwachte bezoek stond niet op de officiële agenda. De Israëlische regering was not amused.
We reden met de bus van Ramallah naar Qalandia. Het vluchtelingenkamp was net als veel andere kampen in 1949 opgezet door de Verenigde Naties. We kenden daar Khadija, een vriendin van mijn tante. Zij leidt in het kamp een vrouwengroep die met traditioneel borduurwerk wat geld verdient.
Voor het gebouw van de VN stonden zes legerjeeps en een legertruck. Wij stonden bij de ingang tussen de verzamelde pers. Wat later arriveerde de stoet. Een legerjeep, een witte VN bus en een Mercedes met rood-wit-blauwe vlaggetjes met daarin de minister.
Op het moment dat de voorste auto onder de toegangspoort reed, zag ik een Palestijnse jongen op een dak zitten. Zijn gezicht was bedekt met een zwart-witte kufiya. Hij zwaaide flink met de door Israël verboden Palestijnse vlag.
Toen minister Van den Broek uit het zicht het gebouw van de VN binnenliep, trok het Israëlische leger het kamp binnen op zoek naar de jongen met de verboden vlag. Andere jongeren begonnen stenen te gooien naar de soldaten. Na een uur kwam de delegatie naar buiten.
Toen minister van den Broek ons passeerde, sprak mijn vader hem aan. Hij vertelde wat er zojuist was gebeurd. Hij zei dat de stenen niet waren bedoeld tegen zijn bezoek maar tegen de aanwezigheid van het Israëlische leger.
De minister stapte snel in zijn auto en reed weg. Meteen daarna zagen we de ene na de andere legerjeep het kamp binnenrijden. Israëlische soldaten openden het vuur en Palestijnse jongeren gooiden met stenen.
Na de zomer bezocht mijn vader het vluchtelingenkamp opnieuw. Mijn tante had hem gevraagd of hij even langs haar vriendin in Qalandia kon gaan.
Khadija wist dat het Palestijnse parlement in ballingschap - in november van dat jaar - in Algerije bijeen zou komen. Ze wilde van die gelegenheid gebruikmaken om Palestijnse leiders een boodschap mee te geven: Vergeet ons niet.
Ze vroeg m’n vader of hij een paar honderd geborduurde boekenleggers mee kon nemen naar Nederland. Deze boekenleggers met de tekst “één jaar intifada” zouden dan via een vertegenwoordiger van de PLO in Den Haag worden afgeleverd. Khadija hoopte dat met dit gebaar - financiële steun op gang zou komen.
“Ik doe dit alleen als je er een officiële brief aan Yasser Arafat bij doet”, had mijn vader gezegd. Op van de zenuwen was hij met zijn koffer vol geborduurde boekenleggers en een brief aan Arafat via Ben Gurion met El Al naar Amsterdam gevlogen. In een restaurant in Leiden overhandigde hij de boekenleggers en de brief aan de Palestijnse vertegenwoordiger in Nederland.
Op 15 november 1988 kwam de Palestijnse Nationale Raad na koortsachtig vooroverleg en herhaald uitstel bijeen in de Algerijnse hoofdstad Algiers. De verwachtingen waren hooggespannen. De intifada, de Palestijnse volksopstand had van leiders in ballingschap geëist met een duidelijke politieke richting te komen. In een volgepakt conferentiecentrum proclameerde Arafat een onafhankelijke Palestijnse staat.
In een verklaring werd de Verenigde Naties verzocht de bezette gebieden onder internationaal toezicht te plaatsen. Volgens de plo zou de bevolking dan beter zijn beschermd en kon een einde worden gemaakt aan de bezetting. Arafats toespraak duurde twintig minuten en was geschreven door de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish.
Met het uitroepen van de staat Palestina aanvaardde het Palestijnse parlement in ballingschap tevens een serie vn-resoluties, waaronder de bekende resoluties 181, 242 en 338, magische cijfers in het Israëlisch-Palestijns conflict.
Op de televisie thuis in Vlaardingen zag ik de aanwezigen applaudiseren. De vlag werd gehesen en het volkslied Biladi, Biladi, ‘mijn vaderland’, werd gezongen. Op de tafels lagen de boekenleggers uit Qalandia.
Niet lang daarna, begin 1989, werd Rana, een klasgenootje van m’n nichtje Ghadir gedood. Ze was tijdens een demonstratie door een Israëlische soldaat in haar hoofd geschoten. Een week later bezweek ze aan haar verwondingen. Diezelfde week werd ook een 12-jarig meisje uit Gaza in haar hoofd dood geschoten.
Tijdens de intifada mochten mijn familieleden lange tijd hun huizen niet uit. Soms werd de gehele bevolking voor een maand huisarrest opgelegd. Tijdens het huisarrest reden Israëlische legerjeeps door de straten. Ze controleerden of iedereen binnen was. Je mocht zelfs niet in de tuin zitten. Eén keer per week mochten Palestijnen een uur het huis uit om boodschappen te doen. De scholen waren langdurig gesloten.
Hanna, de zus van Ghadir, gaf wiskundeles aan kinderen uit de buurt. De oudere kinderen stonden dan aan weerskanten van de straat op de uitkijk.
Het was verboden op straat te komen als er een huisarrest was ingesteld. En ook om in je eigen woonkamer les te geven. Als dit ontdekt werd door soldaten, bracht je niet alleen jezelf in gevaar maar ook de familie die de les organiseerde.
Na de dood van haar klasgenootje besloot m’n nichtje lid te worden van de leerlingenraad op school. Ze organiseerde een optocht naar het huis van Rana’s familie. De optocht van scholieren werd met beschietingen tegengehouden door het Israëlische leger.
Overal waren demonstraties, brandende banden en jongeren die stenen gooiden naar gewapende soldaten.De ene dag ging ze naar school en de andere dag bleef ze thuis. Als ze naar school liep, verstopte ze eeen Arabische sjaal onder haar school uniform. Met die sjaal voor haar gezicht maakte zich onherkenbaar voor de soldaten. Soms liep ze met pamfletten onder haar uniform - pamfletten die ze op school en in stad verspreiden.
Op een dag werd een jongen voor haar school gearresteerd. Met haar klasgenoten probeerden ze hem vrij te krijgen. Ze bekogelden de soldaten met stenen, waarop het leger begon te schieten. Ze barricadeerden straten om de weg te blokkeren voor legerjeeps. De straten zagen wit van de rook.
De leerlingenraad kwam wekelijks bijeen. Tijdens die bijeenkomst organiseerde ze allerlei activiteiten en bespraken ze een boek dat ze gezamenlijk lazen. Het waren politieke boeken of boeken van belangrijke Palestijnse schrijvers en dichters. Ghadir vond de verhalen van Ghassan Kanafani het mooist.
Tijdens de intifada werden duizenden Palestijnen opgepakt. In het eerste jaar van de intifada arresteerde het Israeiische leger meer dan 50 duizend Palestijnen. Ter vergelijking dat is 10 keer zoveel als in Zuid Afrika dat zelfde jaar.
De meeste gevangenen werden vastgehouden zonder enige vorm van proces of aanklacht.
Op 1 augustus werd mijn neef Amin door door leden van de Israëlische veiligheidsdienst, opgepakt in Ramallah. Op dat moment studeerde hij aan de Universiteit van Bir Zeit. Vier dagen later werd hij van Ramallah overgebracht naar een detentiecentrum in de buurt van Hebron. Zijn verhoor duurde bijna een maand.
Hij kreeg een zak over zijn hoofd en moest met zijn handen vastgeboeid op zijn rug urenlang buiten staan. Tijdens zijn verhoor werd hij zwaar mishandeld. Hij werd met zijn hoofd tegen een muur geslagen en kreeg elektrische schokken toegediend.
Hij verloor geregeld zijn bewustzijn. De rest van de tijd bracht hij door in een cel van één meter bij twee. In de cel was geen matras of iets op de grond. Elke vijf minuten bonkte iemand op de deur. Slapen was daardoor onmogelijk.
Israëlische ondervragers eisten herhaaldelijk dat hij een bekentenis zou afleggen over vage beschuldigingen zoals intifada-activiteiten of deelname aan ongeregeldheden. Bij elke weigering werd hij in elkaar geslagen. Na drie weken was hij volledig uitgeput. Hij vroeg tevergeefs om een dokter - maar de martelingen gingen door. Zijn hoofd en lijf werden met een stok bewerkt, zijn benen werden vastgebonden en zijn voeten kapotgeslagen.
Steeds vaker verloor hij zijn bewustzijn. Hij moest voortdurend overgeven en voelde hevige pijn bij zijn lever. Uiteindelijk werd hij naar een dokter gebracht en overgeplaatst naar de ziekenboeg van de gevangenis. De dokter vond dat hij naar een ziekenhuis moest maar na vier dagen belandde hij gewoon weer in zijn cel. Pas toen zijn gezondheid nog verder achteruitging, mocht hij naar het ziekenhuis.
Mijn oom en tante kregen pas na een week toestemming om hun zoon op te zoeken. Zijn gezicht was gezwollen, zijn voeten waren verbrijzeld en zijn rug zat onder de blauwe plekken. Niet lang daarna werd hij vrijgelaten.
Begin 1992, tijdens een grootschalige razzia door het Israëlische leger, werd Amin opnieuw opgepakt. Er was in die tijd een speciale Israëlische leger-eenheid die via grootschalige arrestaties en foltering zoveel mogelijk informatie probeerde te verzamelen over de opstand. Hij kampte nog steeds met een leveraandoening.
Het was koud. Om twee uur ‘s nachts werd Amin in het huis van zijn ouders in Ramallah van zijn bed gelicht en naar Hebron gebracht. Bij binnenkomst zei hij meteen dat hij last had van zijn lever. De leider van de ondervragers deed het raam van de verhoorkamer open en zei: kijk het sneeuwt, wil je naar buiten? Amin werd twaalf dagen verhoord.
Tussen de ondervragingsronden werd hij opgesloten in een koude ruimte - de kast. Hij zat urenlang met een zak over zijn hoofd - met zijn handen geboeid op zijn rug - op een te kleine stoel die zo schuin stond dat hij er steeds van afgleed. Deze veel gebruikte martel techniek wordt shabeh genoemd. Om het half uur kwam een bewaker binnen om te voorkomen dat mijn neef in slaap zou vallen.
Tijdens het verhoor van mijn neef, overleed een medegevangene, Mustafa Akawi. De militaire rechter had net besloten dat deze gevangene nog acht dagen langer vastgehouden kon worden in plaats van de 30 dagen waar het leger om gevraagd had. Nog geen 12 uur na de zitting stierf Akawi aan een hartaanval.
Akawi had na de uitspraak van de rechter zevenenhalf uur in een ijskoude gang moeten verblijven. Met een zak over zijn hoofd en zijn handen op de rug was hij nog twee uur ondervraagd. Volgens Israëlische autoriteiten was hij volgens een standaard procedure behandeld: met fysiek geld, slaaponthouding, gedwongen knellende posities, het plaatsen van een gevangene in een isoleercel en het blootstellen aan extreem koude temperaturen volgens Israel waren toegestaan.
Er was geen aanklacht en toch wilden zijn ondervragers dat mijn neef een bekentenis zou afleggen. Dat weigerde hij. Volgens zijn ondervrager was elke Palestijn schuldig totdat een rechtbank het tegendeel bewijst. Ze dreigden hem dat hij hetzelfde zou overkomen als Mustafa Akawi.
Toen zijn gezondheidstoestand verder achteruit ging, gaf de gevangenisarts de opdracht Amin over te plaatsen naar een warmere ruimte. Zijn ondervragers gaven hier alleen gehoor aan wanneer de arts in de buurt was.
Mijn neef werd afwisselend in een koude en warme kast gezet. Hij kreeg soms een dag geen water en hij at bijna niets. Eten werd in een wc gezet en tijdens verhoren werd hij meegenomen naar een gang en met zijn handen vastgebonden aan een pijp aan het plafond. Vijf uur lang hing hij zo zonder dat zijn benen de grond konden raken.
Vier dagen na zijn tweede arrestatie kreeg hij maagproblemen en moest hij constant overgeven. Hij werd overgebracht naar een ziekenhuis in Jeruzalem waar hij na zeven uur vastgebonden aan een bed in zwakke toestand weer terug gebracht werd naar zijn cel in Hebron.
De volgende dag werd hij voorgeleid voor een Israëlische militaire rechtbank.
Hij kon niet meer lopen of zitten. In de rechtszaal moest hij een paar keer overgeven. Hij had overal pijn en was kortademig. Hij stond op instorten.
De rechter bepaalde dat zijn verhoor nog maximaal vier dagen mocht duren. De dag erna bracht de advocaat van Amin de zaak bij de Israëlische Hoge Raad.
Op 21 februari 1992 werd hij vrijgelaten. Op het moment dat hij, zonder dat een aanklacht tegen hem was ingediend, de gevangenis verliet, beet een hoge officier hem toe: ‘Maak dat je weg komt. Sterf thuis, niet hier!'
Shownotes #3 - de oorlog
Op 4 augustus 1968 was opa Radi onderweg van Amman in Jordanië naar de Westelijke Jordaanoever. Bij Salt wordt zijn taxi met daarin een vrouw en haar kinderen gebombardeerd door Israelische straaljagers. Opa Radi is op slag dood. De Verenigde Naties bespreekt de aanval in de Veiligheidsraad.
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, Polygoon Journaal, BBC, UN Audiovisual Library
Documentaires: Censored Voices, Mor Loushy (2015); Looted and Hidden: Palestinian Archives in Israel, Rona Sela (2017); The Arab Refugees, Ben Park and Martin Bunnel (1968); Pal achter Israël, Andere Tijden (2017)
Documenten: Yearbook of the United Nations 1968, VN brieven (4-8-1968, 8-8-1968); United Nations Truce Supervision Organization (UNTSO).
Artikelen: Middle East: Assault on Salt, Time Magazine, 16 August 1968; Israeli Jets Raid Site near Amman: Jordan Reports 23 Civilians and 5 of her men killed Israeli Planes Bomb Sites in Jordan, New York Times, 5 August 1968.
Boeken: De historie van de Palestijnen in Vlaardingen, Frans W. Assenberg (2006); The Gun and the Olive Branch: The Roots of Violence in the Middle East, David Hirst (1977); The Palestinian Exodus, 1948-1998, Ghada KarmiEugene Cotran (1999); Gezworen Vrienden: het geheime bondgenootschap tussen Nederland en Israël (1997)
Deze podcast eenvoudig delen kan via deze link: podcast.link/niksg
Script #3 - De oorlog
In de derde aflevering gaan we terug naar de zesdaagse oorlog van 1967. Op de eerste dag van de oorlog werd mijn nicht Rula geboren. Zijn vader was in 1963 naar Nederland gekomen om te werken in een margarinefabriek in Vlaardingen. Na de oorlog mocht hij zich niet meer blijvend vestigen in Palestina. Hij mocht ook niet naar de begrafenis van zijn vader die een jaar later bij een luchtbombardement om het leven kwam.
Het is 4 augustus 1968 - mijn opa is in Amman. Die dag rijdt hij met zijn taxi een vrouw met haar kinderen naar Ramallah op de Westelijke Jordaanoever. Bij het plaatsje Salt werd de rust ineens verstoord door Israelische gevechtsvliegtuigen die laag overkomen.
Precies op de plek waar de taxi van mijn opa reed, bombaarden de vliegtuigen met rakketten en napalm de de omgeving. Mijn opa was op slag dood. Ook de passagiers in de taxi een moeder en haar twee kinderen kwamen om het leven.
Ik heb mijn opa nooit gekend. Mijn vader was in Nederland. Via een telegram kreeg hij te horen dat zijn vader was omgekomen bij een bombardement en dat hij vooral niet moest komen.
Ik ben Arjan El Fassed. In de podcast serie Niet iedereen kan stenen gooien neem ik je mee op mijn zoektocht naar de bewogen geschiedenis van mijn familie in Palestina.
Op 11 november 1963 landde op Schiphol een vliegtuig uit de Jordaanse hoofdstad Amman. Aan boord zaten 65 jonge Palestijnen uit Nabloes waaronder mijn vader. Op Schiphol werd de groep opgewacht door de hoofdportier van een margarinefabriek in Vlaardingen, de Romi.
In Vlaardingen werd de groep naar een kosthuis gebracht. De volgende dag moesten ze meteen aan het werk. In juni 1966 ging mijn vader voor het eerst weer terug naar Nabloes om papieren te regelen voor zijn huwelijk. Het zou de laatste keer zijn dat hij zijn vader zag.
Op maandagochtend, 5 juni 1967, om half zes ‘s ochtends werd mijn nichtje Rola geboren. In het ziekenhuis in Jeruzalem waren haar ouders en mijn oma. Ze moesten al snel het ziekenhuis verlaten. Israëlische vliegtuigen hadden de gehele Egyptische luchtmacht op de grond uitgeschakeld. Buiten loeiden de sirenes.
Mijn oom reed zijn Volkswagen zo snel mogelijk naar hun huis in Ramallah. Daar bleven ze de rest van de dag en nacht in de kelder.
Op de tweede dag van de oorlog reden ze naar Nabloes. Daar sliepen ze een nacht bij mijn andere oom en tante. Mijn oom Bassam was toen al vertrokken en had zich aangesloten bij het verzet.
Mijn tante Enya heeft gedurende de oorlog vijf dagen met haar kinderen in het trappenhuis gewoond. Vrouwen en kinderen bleven binnen. De winkels waren gesloten en een aantal inwoners van Nabloes waren bij de bombardementen om het leven gekomen.
Vele Palestijnen, maar minder dan in 1948, sloegen op de vlucht voor het geweld. Ze volgden dezelfde route als het Jordaanse leger. Ook vluchtelingen die in 1948 naar Nabloes waren gekomen, verlieten de stad op weg naar Jordanië. Sommigen werden onderweg gedood.
De volgende dag, woensdag 7 juni, valt het Israelische leger Nabloes binnen. Met hun baby verlieten mijn tante en oom met hun dochter en mijn oma Nabloes en reden terug naar Ramallah. De oorlog was in volle gang. Er waren beschietingen en niemand wist waar het veilig was. Onderweg naar Ramallah bleek dat de weg was afgesloten. Ramallah werd gebombardeerd.
Mijn oom wilde terugrijden naar Nabloes, maar ook vlak voor Nabloes was de weg afgesloten. Het Israëlische leger had alle toegangswegen naar de stad geblokkeerd. Even dacht Mohammed dat hij geen kant op kon. Opeens zag hij een kleine landweg, vlak voor een legerkamp bij Huwara. Hij draaide aan het stuur en reed over een onverharde weg dwars door de landerijen richting de Jordaanvallei.

Aangekomen op de hoofdweg reed hij naar Jericho. Van daaruit wilde hij over de Allenby-brug naar Jordanië. Ze waren precies op tijd, want vlak nadat ze over de brug waren gegaan, werd deze vernietigd door Israëlische gevechtsvliegtuigen. Via de Jordaanse stad Salt kwamen ze aan in Amman, waar ze veilig waren. Ze verbleven twee weken bij de broer van mijn oma. Hij was in 1949 naar Damascus vertrokken en woonde sinds de jaren zestig in de Jordaanse hoofdstad Amman.
Na twee weken wilden mijn oom en tante terug naar Ramallah. Het was gevaarlijk. Het Israëlische leger schoot op Palestijnen die wadend door de Jordaan rivier probeerden terug te keren. Een Israëlische soldaat van de Vijfde Reserve Divisie, die gestationeerd was in het grensgebied, meldde over die tijd het volgende:
‘Elke nacht schoten we op mannen, vrouwen en kinderen, zelfs als we in het maanlicht het verschil konden zien. ’s Ochtends door zochten we de omgeving en in opdracht van de officier schoten we op de mensen die nog leefden, ook diegenen die zich verborgen hielden of gewond waren en ook op vrouwen en kinderen.’
Mijn oom bracht zijn gezin bij de stad Toubas aan de overkant van de Jordaan. Daar was het nog veilig. Mijn oma was eerder teruggekeerd. Zij was met andere Palestijnen met gevaar voor eigen leven te voet de rivier overgestoken. Zij konden nog net op tijd terug. Voorlopig waren zij veilig.
Voor mijn oom Mohammed was het de tweede keer dat hij moest vluchten. In de oorlog van 1948 had zijn familie het dorp Bayt Nabala moeten ontvluchten. Alleen een schooltje is daar nog van over. Om te voorkomen dat vluchtelingen zouden terugkeren werd dat dorp in 1948 net als vele andere Palestijnse dorpen door Israëlische bulldozers met de grond gelijk gemaakt.
Sinds die oorlog - door Palestijnen de catastrofe genoemd - woont Mohammed en zijn familie in de omgeving van Ramallah op de Westelijke Jordaanoever.
Aan de overkant van de Jordaan probeerden meer Palestijnen net als mijn familie na de oorlog in juni 1967 de oversteek te maken terug naar hun steden en dorpen maar voor de meeste Palestijnse vluchtelingen was het te laat.
Veel van hen waren voor de tweede keer gevlucht en verbleven nu onder erbarmelijke omstandigheden in een uitzichtloze situatie in een van de zes nieuwe vluchtelingenkampen aan de oost-kant van de Jordaan.
Ook mijn vader kon niet meer terug. Mijn vader was in Vlaardingen toen het Israëlische leger Nabloes binnenviel. Hij maakte zich zorgen om zijn ouders en zussen. Hij heeft nog geprobeerd via het Rode Kruis te weten te komen wat er met de familie was gebeurd.
In Nederland had Israël geen gebrek aan steun. Op het kantoor waar mijn moeder werkte stond eeen melkbus om geld in te zamelen voor Israël.
Er waren steunmanifestaties, kerken riepen op tot gebed voor Israel en er werd een collecte gehouden. De Stichting van de Arbeid had opgeroepen tot een collectieve loonactie waar de overheid en bedrijven gehoor aan gaven. Het was de bedoeling dat iedere werknemer drie uur loon beschikbaar zou stellen.
Je hoort meneer Van der Zande, produktieleider van de margarinefabriek in Vlaardingen. Om discussies te mijden zei m’n vader maar dat hij uit Jordanië kwam.
Niet alleen enorme aantallen Palestijnse vluchtelingen - ook Palestijnse verzetsgroepen hadden zich langs bestandslijn tussen Jordanië en de bezette Westelijke Jordaanoever gevestigd. Meer dan de helft van de bevolking langs deze grens was van Palestijnse afkomst.
Velen hadden in 1948 en 1967 hun huizen moeten ontvluchten.
Een belangrijke plaats voor het Palestijnse verzet na de oorlog was Karameh. Het dorp ligt vlakbij de Allenby-brug en in de directe omgeving van het grootste vluchtelingenkamp in Jordanië, Baqa’a.
Ik heb mijn opa nooit gekend. Hij had een taxibedrijf in die tijd. Nadat hij een paar jaar voor een transportbedrijf had gewerkt, kwam hij in dienst van de Barclaysbank in Nabloes.
Halverwege de jaren vijftig werd deze bank gesloten. Bij zijn vertrek mocht opa Radi kiezen tussen een geldsom of de auto waarmee hij de directeur had rondgereden. Met deze dienstwagen begon hij zijn taxibedrijf.
Op 21 maart 1968 trok het Israëlische leger de Jordaan over. Palestijnse groepen, waaronder die van Yasser Arafat, besloten zich niet terug te trekken. Tijdens de gevechten in Karameh tussen het Israëlische leger en de Palestijnse groepen, gesteund door het Jordaanse leger, sneuvelden tientallen Israëlische soldaten en honderdvijftig Palestijnse strijders.
De slag bij Karameh duurde 15 uur en kreeg mythische proporties. Het Israëlische leger zag zich gedwongen terug te trekken. Vooral Palestijnse vluchtelingen betekende Karameh een keerpunt.
Veel jongeren uit de vluchtelingenkampen sloten zich aan bij Palestijnse gewapende groepen. Drie weken na de Karameh werd Yasser Arafat benoed tot formele woordvoerder van de grootste groep al-Fatah.
Op 4 augustus 1968 was opa Radi in Amman. Hij zou die dag een vrouw met haar kinderen naar Ramallah brengen.
Voordat hij die ochtend vertrok, had hij gehoord dat de weg veilig zou zijn. Hij haalde zijn passagiers op en reed via de hoofdweg richting Salt.
Vlakbij Salt werd de rust ineens verstoord door Israëlische gevechtsvliegtuigen die laag overkwamen.
Met raketten en napalm bombardeerden zij de omgeving.
Na dit bombardement renden sommige mensen de weg op om de schade te inspecteren.
Op dat moment kwamen de gevechtsvliegtuigen terug en zetten opnieuw een daling in. Precies op de plek waar de taxi van opa Radi reed, lieten zij een tweede regen van bommen vallen. Opa Radi was op slag dood. Ook de passagiers in de taxi, een moeder en haar twee kinderen, kwamen om. Het asfalt stond in brand. Het bombardement met napalm trof ook ambulances en andere voertuigen. Weinig bleef gespaard.
In totaal werden bij deze aanval ten westen en zuiden van de stad 34 mensen gedood en raakten er 82 gewond. Behalve bommen hadden de vliegtuigen ook pamfletten gedropt. ‘Dood voor degenen die om de dood vragen. Leven voor degenen die in vrede willen leven’, stond erop.
Op een persconferentie in Tel Aviv zei de chef van de Israëlische generale staf, generaal Bar Lev, dat de aanval op het gebied van Salt ook bedoeld was de Jordaanse autoriteiten ertoe te dwingen maatregelen te nemen tegen de Palestijnse commandotroepen, die niet alleen vrijelijk vanaf Jordaans gebied konden opereren, maar volgens hem ook gesteund werden door de plaatselijke militaire en burgerlijke autoriteiten.
Twee maanden eerder had Israël een soortgelijk bombardement uitgevoerd op de stad Irbid. Ook bij dit bombardement kwamen tientallen burgers om. De Israëlische bombardementen op Salt en Irbid waren de wraak voor de slag van Karameh in maart 1968. Najati, de broer van oma Im Salim, hoorde het nieuws op de radio.
Omdat de familie in eerste instantie geen toestemming kreeg van de Israëlische autoriteiten opa Radi naar Nabloes te brengen, werd hij tijdelijk in Amman begraven. Na veelvuldige verzoeken mocht de familie na een paar dagen het lichaam alsnog naar Nabloes brengen. Hij werd begraven op de begraafplaats vlakbij Ras al-Ain.
De inwoners van Nabloes waren geschokt door zijn dood. De begrafenis werd geregeld door Bassam. Mijn vader was in Nederland. Via een telegram kreeg hij te horen dat zijn vader was omgekomen bij een bombardement en dat hij vooral niet moest komen.
Tevergeefs verzocht hij de Israëlische ambassade hem een visum te verstrekken. Hij mocht niet aanwezig zijn bij de begrafenis van zijn vader. ZIjn zus was net bevallen van haar oudste zoon.
Om haar te beschermen was haar verteld dat opa Radi een ongeluk had gehad, maar niet dat hij was overleden. Haar man was alleen naar Nabloes gegaan voor de begrafenis.
Toen hij een dag later terugkwam en mijn tante hem vroeg waarom hij zich niet had geschoren, vertelde hij dat haar vader was omgekomen bij een bombardement. Mijn tante Enaya was de enige van de vijf kinderen die aanwezig kon zijn op de begrafenis.
Na het bombardement op Salt kwamen de leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op aandringen van Jordanië en Israël tussen 5 en 16 augustus 1968 bijeen.
Op 8 augustus toonde de Jordaanse vertegenwoordiger bij de vn foto’s waaruit bleek dat Israël napalm had gebruikt. De ambassadeur van Israël verdedigde zich door te stellen dat de bombardementen gericht waren op het hoofdkwartier van Fatah in Jordanië.
Voor Jordanië was het duidelijk dat deze bombardementen vooral gericht waren op de burgerbevolking gezien het groot aantal burgers dat was omgekomen.
Op de laatste bijeenkomst stemde de Veiligheidsraad unaniem voor een resolutie waarin hij het verlies van mensenlevens betreurde en waarschuwde dat, indien zulke aanvallen nogmaals zouden plaatsvinden, Israël door de Veiligheidsraad ter verantwoording zou worden geroepen.
In de jaren zeventig werden veel voorstellen gepresenteerd genoemd naar verschillende bemiddelaars: Jarring, Rogers, Kissinger, Reagen, Fahd en Baker. De PLO werd erkend als ‘enige wettelijke vertegenwoordiger van de Palestijnen’ en Yasser Arafat verscheen voor de leden van de Algemene Verenigde Naties.
Hoe deze pogingen tot vrede verliepen en hoe mijn familie de situatie in Palestina in die jaren ervaarden hoor je in de volgende aflevering van Niet iedereen kan stenen gooien.
Shownotes #4 - de catastrofe
Op 14 juli 1948 wordt de stad Ramleh aangevallen en ziet de familie van oma Um Naji zich gedwongen de stad te verlaten. Ze moesten hun bezittingen achterlaten, huizen werden geplunderd en de inwoners werden opgejaagd. Met zo’n vijftigduizend Palestijnen moesten ze te voet het gebied uit.
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, Polygoon Journaal, BBC, UN Audiovisual Library, The Palestinian Museum Digital Archive.
Documenten: United Nations Special Committee on Palestine (UNSCOP) (1947); United Nations Palestine Commission (UNPAC) (1948); United Nations Mediator for Palestine (1948-1949); Question of Palestine.
Documentaires: Tantura, Alon Schwartz (2022), Looted and Hidden: Palestinian Archives in Israel, Rona Sela (2017); Born in Deir Yassin, Neta Shoshani (2017)
Boeken: De etnische zuivering van Palestina, Ilan Pappe (2008); De Nakba: de etnische zuivering van Palestina, Ilan Pappe (2023); The Palestinian Nakba: Decolonising History, Narrating the Subaltern, Reclaiming Memory, Nur Masalha (2012); All That Remains: The Palestinian Villages Occupied and Depopulated by Israel in 1948, Walid Khalidi (1992); Khirbet Khizeh, S. Yizhar (2008).
Deze podcast eenvoudig delen kan via deze link: podcast.link/niksg
Script #4 - de catastrofe
Het is 14 juli 1948. Die dag wordt de stad Ramleh aangevallen en ziet de familie van mijn oma zich gedwongen de stad te verlaten. Ze moesten hun bezittingen achterlaten, huizen werden geplunderd en de inwoners werden opgejaagd. Met zo’n vijftigduizend Palestijnen moesten ze te voet het gebied uit.
Veel vluchtelingen waren uitgedroogd. Honderden overleefden het niet. Van de zeventienduizend Palestijnen die op dat moment in Ramleh woonden, bleven er vierhonderd in de stad. Het bevel om de inwoners van Ramleh te verdrijven kwam van Yitzhak Rabin - de latere premier van Israël.
Terugkeren naar Ramleh kon niet meer. Ze vestigden zich tijdelijk in Jeruzalem. In 1949 vertrok een deel van mijn oma’s familie naar Damascus. Met haar oudste broer bleef ze in Jeruzalem.
Ik ben Arjan El Fassed. In de podcast serie Niet iedereen kan stenen gooien neem ik je mee op mijn zoektocht naar de bewogen geschiedenis van mijn familie in Palestina.
Ten oosten van Jaffa, tussen Jeruzalem en Tel Aviv liggen de steden Lydda en Ramleh. Het is de omgeving waar tegenwoordig dagelijks mensen aankomen op het vliegveld Ben Gurion. De familie van mijn oma komt oorspronkelijk uit dat gebied.
Vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was het een chaos in Palestina. Joodse gewapende groepen vielen zowel Palestijnen als Britse troepen aan. Het Britse bestuur reageerde met harde maatregelen. Voor mijn familie was het duidelijk dat de Britten hun greep op Palestina aan het verliezen waren.
Op 21 februari 1947 maakte de Britse regering bekend dat zij het mandaat over Palestina in mei 1948 zou overdragen aan de Verenigde Naties. In mei 1947 werd een speciale VN commissie opgericht die moest onderzoeken wat er met Palestina moest gebeuren.
De commissie bestond uit vertegenwoordigers uit 11 landen. Lid namens Nederland was Nico Blom - een bestuursambtenaar in Nederlands-Indië en later staatssecretaris in het kabinet Drees. Geen van de 11 leden was daarvoor ooit in Palestina geweest.
In september dat jaar kwam de commissie met haar conclusies. Een meerderheid was voorstander van een plan om het mandaatsgebied te verdelen in twee onafhankelijke staten met een internationale status voor Jeruzalem en Bethlehem.
Voor mijn familie was het evident dat na het Britse koloniale gezag niets anders dan onafhankelijkheid zou moeten volgen. Zij vormden de overgrote meerderheid van de bevolking en waren tegen de opdeling van hun land.
Voor hen was Palestina geen land zonder volk. Zij vonden het plan oneerlijk. Hoe kon een volkerenorganisatie een land verdelen tegen de wensen van de meerderheid van de bevolking?
Hoewel het Verdelingsplan van de Verenigde Naties van 1947 berustte op het idee om in het voormalige mandaatgebied Palestina een Joodse en een Arabische staat te stichten, bleek de bevolking binnen de grenzen van die Joodse staat nog voor bijna de helft uit Palestijnen te bestaan.
Op één stad na, Jaffa, vormden Palestijnen in alle districten de helft, in Oost-Galilea zelfs driekwart van de bevolking. De oorlog van 1948 gaf Israëlische leiders de gelegenheid deze verhoudingen drastisch te wijzigen. Na de massale verdrijving in 1948 vormen Palestijnen slechts tussen 15 en 20 procent van de bevolking van Israël.
Desondanks werd op 29 november 1947 werd het verdelingsplan via een VN resolutie aangenomen.
De familie van Um Naji, de oma van mijn vader komt uit Ramleh. Haar familie heeft in juli 1948 Ramleh moeten verlaten. Er woonden in die tijd zo’n 17 duizend Palestijnen. Uiteindelijk mochten er na de oorlog zo’n vierhonderd blijven. Vlak voor de oorlog van 1948 woonde een vijfde van de totale Palestijnse stedelijke bevolking in Ramleh en Lydda.
Yitzhak Rabin, de latere premier van Israel, had het commanda over de joodse troepen in dat gebied. Op 12 juli 1948 gaf hij het bevel: “De inwoners van Lydda moeten zonder onderscheid van leeftijd worden verdreven in de richting van Bayt Nabala”.
Een soortgelijk bevel kreeg de Kiryati-brigade met betrekking tot de inwoners van Ramleh. Je hoort Ilan Pappe.
Volgens deze historicus was Ramleh al eerder aangevallen door Joodse militante groepen. Begin 1948 plaatste de Irgun een mand met explosieven op de groentemarkt van Ramleh. Bij deze aanslag kwamen 12 Palestijnen om het leven, onder wie acht kinderen. De Irgun stond onder leiding van de latere premier Begin.
Voordat het Britse mandaat afliep op 14 mei 1948 en David Ben Gurion, om middernacht de staat Israël uitriep, waren al driehonderdduizend Palestijnen uit hun dorpen en steden verdreven. Mijn familie had al gehoord over de zuivering van Jaffa.
De familie van mijn oma hoorde over de hevige gevechten die waren uitgebroken en hoe Jaffa was gezuiverd van zijn Palestijnse bevolking. Dat begon met een mortier-regen door Irgun. De meeste Palestijnen waren die stad ontvlucht en hadden al hun spullen achtergelaten. Ze dachten dat ze voor een paar dagen wellicht een paar weken weg zouden zijn.
Vanuit die plek vertrokken veel inwoners, soms letterlijk de zee ingedreven, met boten richting Libanon. Toen op 14 mei de Britse troepen de stad hadden verlaten, waren er nog maar 4 duizend Palestijnen. Jaffa was gevallen en de Haganah trok de stad binnen.
Vooral met de aanval op het dorpje Deir Yassin kwam een grote stroom vluchtelingen op gang.
Op 9 april 1948 openden Joodse militanten het vuur in het dorp. Ze schoten in het rond met machinegeweren en doodden meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen. Volgens Israëlische historici werd tijdens de aanval willekeurig geschoten, werden huizen opgeblazen, inwoners geëxecuteerd en bezittingen geplunderd.
‘Deir Yassin’ zit diep in het collectieve geheugen.
Oma Um Naji was zo geschrokken van de berichten over Deir Yassin dat ze haar kinderen wilde onderbrengen bij anderen - voordat de milities hen iets zouden kunnen aandoen.
Deir Yassin was een nachtmerrie en had net als bij veel andere Palestijnen enorme angst aangejaagd.
Eind mei 1948 werd een Transfercommissie opgericht om de terugkeer van Palestijnen te voorkomen en hun huizen te bewonen met immigranten. Te beginnen met de steden Jaffa en Haifa.
In de nacht van 9 op 10 juli werd Ramleh uit de lucht gebombardeerd. Op 14 juli trokken Joodse troepen, onder leiding van Yitzhak Rabin, de stad binnen. In een zoektocht van deur tot deur werden drieduizend Palestijnse mannen en jongens opgepakt en naar een gevangenkamp gebracht. Op dezelfde dag werd de stad geplunderd.
De familie van Um Naji moest Ramleh verlaten.
In de niet-gecensureerde versie van zijn memoires schreef Yitzhak Rabin over deze dag: ‘We liepen naar buiten, Ben-Gurion begeleidde ons. Commandant Yigal Allon herhaalde zijn vraag: Wat moet er met de Palestijnse bevolking gebeuren? Ben-Gurion wuifde met zijn hand en gebaarde: Jaag ze weg!’
Zo’n vijftigduizend Palestijnen uit het gebied moesten te voet de stad uit. Ze vertelden hoe vluchtelingen werden gecontroleerd door soldaten. Ze moesten al hun bezittingen achterlaten. Huizen werden geplunderd en de inwoners werden opgejaagd. Veel vluchtelingen waren uitgedroogd. Honderden overleefden het niet. Omdat ze niet meer terug konden naar Ramleh en het gevaarlijk werd in Jeruzalem, is de familie van Um Naji in 1949 naar Damascus vertrokken.
De verdrijving van de inwoners van Ramleh en Lydda en ook van andere Palestijnse steden en dorpen in 1948 zijn gedocumenteerd en deze documenten liggen opgeslagen in Israëlische archieven. De verhalen van Palestijnse vluchtelingen werden pas veel later bevestigd door Israëlische historici die toegang kregen tot deze archieven.
De verdrijving van Palestijnen uit Lydda en Ramleh duurde drie dagen. Ze werden met bussen vervoerd naar de frontlinies waar ze werd gezegd dat ze verder moesten lopen.
Palestijnen uit Lydda werden gedwongen te voet via de heuvels in de richting van Ramallah te gaan. Deze massale uitputtende tocht van duizenden vluchtelingen door de heuvels in de hitte van de zomer werd later de dodenmars genoemd en vormt samen met Deir Yassin trauma’s in het collectieve geheugen.
Nadat Lydda en Ramleh waren gezuiverd, begon het plunderen. Israëlische militairen haalden huizen leeg, goederen werden in beslag genomen of vernietigd. Niet alleen huizen maar ook fabrieken, loodsen en winkels werden leeggehaald. Alleen al in dit gebied werden volgens Israëlische historici duizenden trucks met Palestijns bezit.
De huizen en bezittingen werden ingenomen door Joodse immigranten. Lydda heet nu Lod.
De latere Israëlische premier van Israel, Yitzhak Rabin schreef hierover in zijn memoires maar de passage over deze zuivering werd door de Israëlische censuur geschrapt. Ook een TV film naar het boek van de Joodse schrijver Yzhar Smilansly, beter bekend als S. Yzhar over zijn ervaring als jonge officier in 1948 en zijn ervaringen met de verdrijving van Palestijnen mocht niet worden vertoond.
Hij schreef: ‘Wij kwamen, schoten, verbranden, bliezen op, duwden en dreven uit. Zullen de muren niet in de oren schreeuwen van degenen die in dit dorp zullen wonen?’
Volgens Smilansky wordt dit niet vergeten.
‘Soms, op verschillende tijden kun je het horen. Een stilte die niet vergeet. Die niet in staat is te vergeten, zelfs niet al is het met de grond gelijk gemaakt. Er is iets dat het weet en niet vergeet, niet kan vergeten.’
Terwijl haar familie na de oorlog van 1948 was vertrokken naar Damascus, bleef mijn oma met haar oudste broer achter in Jeruzalem. Zij woonde toen in de wijk Wadi Joz.
Tijdens en na de oorlog van 1948 verbleven in deze wijk veel Palestijnen die hun huizen en land hadden moeten verlaten in het westelijke gedeelte van de stad. De rest van haar familie was nu buiten Palestina en mocht het land niet meer in.
Ook de familie van mijn oom Mohammed moest vluchten. Zijn familie komt uit het dorp Bayt Nabala, vlakbij Ramleh.
In het Verdelingsplan van de Verenigde Naties was het dorp toebedeeld aan de Palestijnse staat.
Er woonden in 1948 meer dan tweeduizend Palestijnen. Ook zijn familie en andere inwoners van Bayt Nabala moesten het dorp te voet verlaten. In de zomer van 1948 was er maar één vrachtwagen in het dorp.
Ze hadden weinig meegenomen op hun vlucht. Een enkeling had dekens en een matras bij zich. De meeste dorpsgenoten namen de sleutels van hun huizen mee en hoopten dat ze binnen een week of twee konden terugkeren.
Sommige vluchtelingen kwamen terecht in de dorpen Dayr Ammar, Bayt Tillow en Rantiss. Een groot aantal vluchtelingen uit Bayt Nabala woont tegenwoordig in het vluchtelingenkamp Jalazoun vlakbij Ramallah.
Toen in 1948 de gevechten begonnen rond Bayt Nabala hadden Joodse gewapende groepen posities in de heuvels ingenomen. Ze bestoken het dorp met machinegeweren. De dorpelingen die zich probeerden te verdedigen, konden nauwelijks iets uitrichten. Op elke beweging in het dorp werd geschoten. Niet lang daarna was het dorp leeg.
Tegenwoordig duurt een rit met de auto van Ramallah naar Bayt Nabala veertig minuten, als je niet wordt tegengehouden bij een Israëlische controlepost. Voor de meeste vluchtelingen leek het alsof Bayt Nabala verder dan de horizon lag. Het gebied is nu onderdeel van Kefar Truman, genoemd naar de voormalige Amerikaanse president, en Bet Nehemya.
Israëlische bulldozers hebben het dorp in 1948 met de grond gelijk gemaakt om te voorkomen dat de vluchtelingen zouden terugkeren. Er is niets meer over van de bijna vijfhonderd huizen die het dorpje vormden. Alleen een schooltje en een paar fruitbomen herinneren aan de tijd dat de familie van Mohammed hier leefde.
Aanvankelijk weigerden de vluchtelingen hulp van de VN. Zij wilden zo snel mogelijk terug naar hun huizen. In 1950 zetten de VN drie vluchtelingenkampen op in Nabloes. Balata is het grootste en dichtstbevolkte kamp. Op slechts twee vierkante kilometer wonen tegenwoordig 30.000 vluchtelingen. In Askar, in het noordoosten van de stad, verblijven 15.000 vluchtelingen. Midden in de stad, niet ver van het huis van mijn opa, is nog een kleiner kamp, Beit Ilma. Hier wonen meer dan zesduizend vluchtelingen. Dat kamp is zo klein dat als iemand is overleden, het lichaam via de ramen van huis tot huis gaat om vervolgens naar de hoofdstraat te worden gedragen.
De Catastrofe, of an-Nakba, is een diepe wond en voor Palestijnen bepalend voor het conflict. Decennialang is weinig gesproken over wat er in 1948 in Palestina is gebeurd.
Pas eind jaren tachtig, nadat een groep Israëlische ‘nieuwe’ historici de door de Israëlische overheid vrijgegeven staatsarchieven hadden doorgespit, kwamen de voor Israël pijnlijke feiten boven water over de omstandigheden waaronder de staat Israël is ontstaan.
Je hoort de Israelische historicus Ilan Pappe:
Deze gebeurtenissen zijn jarenlang ontkend en nog steeds zijn weinigen bereid te spreken over wat er in 1948 in Palestina is gebeurd. Het ‘land zonder volk voor een volk zonder land’ was wel degelijk bevolkt.
Uit Israëlisch archiefmateriaal dat in de afgelopen twintig jaar is vrijgegeven, is gebleken dat tijdens de Catastrofe 89 procent van de Palestijnse dorpen door toedoen van gewapende aanvallen is ontvolkt en nog eens 10 procent in het verlengde hiervan door psychologische oorlogvoering. De vluchtelingen uit de resterende dorpen zijn op eigen initiatief weggetrokken.
In totaal zijn tussen eind 1947 en de eerste helft van 1949 meer dan 750 duizend Palestijnen ontheemd, verdreven of gevlucht. Iets minder dan de helft daarvan is verdreven voordat de staat Israël werd gesticht. Tijdens en na de oorlog werden meer dan vijfhonderd dorpen verwoest. Namen van gebieden werden veranderd, alsof deze dorpen en hun inwoners nooit bestaan hebben.
Shownotes #5 - de tunnel

Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, RTL Nieuws, BBC, UN Audiovisual Library, C-SPAN
Documenten: Veiligheidsraad resolutie S/RES/1073, 28 september 1996; Madrid and the Oslo Agreement: Short-Lived Promises of a Negotiated Settlement; Question of Palestine.
Documentaires: The Price of Oslo (2013)
Websites: September 1996 Memorial (1997); On the ground in Ramallah – Reports from a town become battlefield (1996)
Script #5 - de tunnel
In deze vijfde aflevering, de eerste van het tweede seizoen, gaan we terug naar 1996. Het is onrustig in Palestina. Studenten demonstreren tegen het autoritaire gezag van de kersverse Palestijnse Autoriteit. Na de volksopstand is het Israël toch gelukt met een alternatief leiderschap in het geheim te onderhandelen over zelfbestuur. Terwijl Palestijnen dachten dat er werd onderhandeld, kon de onteigening van land en de bouw van nederzettingen doorgaan.
Op 24 september 1996 opende premier Netanyahu een tunnel onder de Al Aqsa moskee in Jeruzalem. Palestijnen gingen de straat op en werden beschoten door het Israelische leger. Is dit het begin van een nieuwe intifada? Waren het protesten tegen de bezetting of zijn de frustraties met de Palestijnse Autoriteit op een hoogtepunt?
Op het vliegveld is het warm. Het is 1996. Ik ben net afgestudeerd en ben samen met mijn vader en mijn oom net geland. We lopen het vliegtuig uit en lopen naar de paspoortcontrole. De veiligheidsbeamte op het vliegveld vraagt wat het doel is van onze reis. Een familiebezoek.
De veiligheidsbeamte vraagt of we familie in Israël hebben. Ja zeggen we - in Nabloes en Ramallah. We moeten weer gaan zitten. De veiligheidsbeamte wijst naar de plastic stoelen achter ons en loopt weg met onze paspoorten. Wij kennen de vragen inmiddels uit ons hoofd: het is voor je eigen veiligheid, zeggen ze er altijd bij.
Een andere veiligheidsbeambte komt erbij en zegt: Ik ben verantwoordelijk voor de veiligheid op dit vliegveld en ik ga u een aantal vragen stellen voor uw eigen veiligheid.
Van wie zijn deze koffers?
Heeft u ze zelf ingepakt?
Wanneer?
Waar?
Bent u altijd bij uw koffers gebleven?
Heeft u pakjes aangenomen van vreemden?
Heeft u cadeautjes meegenomen?
Heeft u gezien hoe die zijn ingepakt?
Werkt u? Waar werkt u? Hoe lang?
Heeft u belangrijke verantwoordelijkheden?
Heeft nog een ander paspoort?
Waar woont u? Met wie?
Zijn dit uw koffers?
Heeft u pakjes aangenomen van vreemden?
Het is voor uw eigen veiligheid.
Wat komt u hier doen?
Hoe lang bent u van plan te blijven?
Gaat u alleen naar uw familie?
Gaat u ook nog ergens anders heeft?
Waar heeft u uw ticket geboekt?
Wanneer?
Waarom zo kort voor vertrek?
Komt iemand u ophalen?
Hoe gaat u naar uw plaats van bestemming?
‘Excuses voor het ongemak, het is voor uw eigen veiligheid.
Nadat onze koffers zijn uitgepakt, de inhoud is doorgelicht en mijn vader en ik zijn ondervraagd en gefouilleerd, zegt ons welkomstcomité: ‘U kunt gaan.’
En elke keer als je denkt dat dit irritant is, worden excuses gemaakt en gezegd dat het voor je eigen veiligheid is.
Veiligheidsonderzoek is routine, zeker voor ons. Op het Israëlische vliegveld Ben Gurion worden Palestijnen, Arabieren, personen met Arabische namen, personen met een Arabisch uiterlijk en personen die op enigerlei wijze verbonden zijn met Arabieren onderworpen aan een speciaal onderzoek. De intimidatie, discriminatie en vernederingen die Palestijnen doorgaans op vliegvelden moeten ondergaan is een collectieve ervaring.
Zodra ik mijn paspoort afgeef en de voornaam van mijn vader moet uitspreken mag ik al plaatsnemen op een plastic stoeltje, wordt je paspoort afgenomen en weet je nooit hoeveel uren het gaat duren voordat je buiten staat. Het is wel eens voorgekomen dat we om 2 uur s nachts landde en pas om 8 uur s ochtends het vliegveld konden verlaten. Na de ondervraging, de controle van elk item in onze koffers en wij alle drie apart zijn ondervraagd en gefouilleerd, zegt het welkomstcomité dat we kunnen gaan.
In september 1996 is het onrustig in Palestina. Vooral onder studenten heerst onvrede. Studenten staakten uit protest tegen het optreden van de kersverse Palestijnse politie tegen Palestijnse gevangenen. Twee gevangen zijn doodgeslagen. Het protest is een teken aan de wand.
Palestijnse studenten zijn het meest uitgesproken in hun kritiek op de Palestijnse Autoriteit, het beperkte zelfbestuur dat in 1994 is opgericht op de Oslo akkoorden uit te voeren.
Op 30 juli 1996 kwam het bericht dat de 26-jarige Mahmoud Jemayel, een politieke gevangene, door doktoren klinisch dood was verklaard. Artsen ontdekten sporen van slagen met metalen stokken op zijn hoofd. Hij had brandwonden op zijn rug en buik en blauwe plekken op zijn hele lichaam.
Mahmoud Jumayal zat in december 1995 in een Palestijnse gevangenis in Jericho. Nadat hij een aantal keer in hongerstaking was gegaan, werd hij overgebracht naar de Jneid gevangenis in Nabloes. Daar werd hij door zijn Palestijnse ondervragers doodgemarteld.
In Nabloes en Tulkarem was dit aanleiding voor demonstraties tegen de ordetroepen van Yasser Arafat. De PLO leider had dankzij de Oslo Akkoorden in 1994 voet gezet in Gaza.
In Nabloes werd een protestmars gehouden en een politieauto met stenen bekogeld. In Tulkarem hadden demonstranten een Palestijnse gevangenis bestormd waarbij Palestijnse politie het vuur opende en een demonstrant doodschoot. De studenten eisen dat de Palestijnse Wetgevende Raad, het kerse verse lokale bestuur in zou grijpen.
In Nabloes is de schok groot. Men had niet verwacht dat de Palestijnse Autoriteit zich zo snel tegen de eigen bevolking zou keren. Mijn nichtje Ghadir studeert aan de Najah Universiteit in Nabloes en vertelde me hoe Arafats troepen schietend in de lucht de universiteit hadden bestormd en studenten met knuppels hadden bewerkt. Later had Yasser Arafat gezegd dat er mogelijk een vergissing was begaan. Het geduld onder studenten was op. Arafat stelde een onderzoekscommissie in en verving het hoofd van de politie.
Hoe heeft dit zover kunnen komen? Daarvoor moeten we terug naar de nadagen van de eerste intifada - eind jaren 80, begin jaren 90.
Op een avond vertelde mijn oom Bassam dat de Palestijnse Autoriteit niet meer was dan het alternatieve leiderschap waarvoor de burgemeesters eind jaren zeventig hadden gewaarschuwd. Hij zei dat Israel altijd op zoek is geweest naar een partner die precies zou doen wat het wilde. Eind jaren zeventig en begin jaren 80 toen de gekozen burgemeesters zeer populair waren, probeerde Israel via hun steun aan dorpsliga’s een wig te drijven.
Op een avond vertelde mijn oom Bassam dat de Palestijnse Autoriteit niet meer was dan de dorpsliga’s die Israël eind jaren zeventig had opgezet. Israel heeft al decennia lang geprobeerd zijn eigen Palestijnse leiders te kiezen. De verkiezingen in 1978 waarover ik in aflevering sprak, zijn daar een voorbeeld van. Dat pakte anders uit.
Eind jaren zeventig benaderde Israël Mustafa Doedin, het dorpshoofd van Doera. Hij richtte een dorpsliga op, een gewapende militie en bereidde met hulp van Israel zijn macht uit naar andere dorpen op het platteland. In ruil kregen deze dorpsliga’s zeggenschap over een aantal zaken maar de overgrote meerderheid van de Palestijnse bevolking zagen deze dorpsliga’s als een corrupte bende.
Ik ben met mijn vader en zijn broer naar Nabloes gekomen voor de bruiloft van mijn neef. Drie dagen na de bruiloft keren ze terug naar Nederland. Ik besluit te blijven. Met mijn nichtje Ghadir ga ik op zoek naar een stageplek. Diezelfde week demonstreren Palestijnen in verschillende steden tegen het besluit van Benjamin Netanyahu om een tunnen te openen onder de Aqsamoskee in Jeruzalem. Voor veel Palestijnen is besluit olie op een gloeiende plaat.
Ik ga met m’n nichtje naar het centrum van Nabloes. Daar zien we bij Cinema Granata een menigte. Betogers houden vlaggen en spandoeken omhoog. We lopen naar een jongen aan de overkant van de weg. Daar staat een studiegenoot van mijn nichtje.
Ze kennen elkaar al vanaf de lagere school. Tijdens de volksopstand in de jaren 80 gingen zij al samen langs de klassen om uitleg te geven over de opstand en om aan te kondigen wanneer en waar demonstraties zouden zijn.
Nu studeren ze samen aan de an-Najah Universiteit in Nabloes. Hij is actief in de studentenbeweging en werkt samen met Haider Abdel Shafi een bekende politicus uit Gaza.
Haider Abdel Shafi is van dezelfde generatie als mijn oom Bassam. Hij begon zijn carriere als chirug en werd begin jaren zeventig voorzitter van de Palestijnse Rode Halve Maan in Gaza. De zusterorganisatie van het Rode Kruis. Abdel Shafi werd wereldberoemd doordat hij in de herfst van 1991 namens Palestijnen het woord voerde bij een grote vredesconferentie in Madrid.
De conferentie was een poging van de Amerikanen om Israel en zijn buurlanden na de Golfoorlog aan het praten te krijgen.
De Palestijnen werden op de conferentie NIET vertegenwoordigd door de PLO. De Verenigde Staten en Israel willen hen alleen spreken als onderdeel van een Jordaans-Palestijnse delegatie. Israel weigerde te praten met Palestijnse inwoners van Jeruzalem. Palestijnen an buiten de bezette gebieden en PLO afgevaardigden. Dit was voorwaarde voor Israelische deelname aan de conferentie in Madrid.
Ook de Nederlander Hans van der Broek, had een belangrijke rol. Hij voerde namens Europese Commissie het woord.
Na de conferentie in Madrid leidde Haider Abdel Shafi de onderhandelingen met Israel in Washington. Daar begon hij een discussie over de nederzettingen en de toepassing van humanitair recht in de bezette gebieden. De Israelische delegatie weigerde hierover te praten.
Tien ronden werd er gesproken zonder vooruitgang te boeken. Maar terwijl de onderhandelingen in Washington vastliepen op onderwerpen als de bouw van nederzettingen en de vluchtelingenkwestie - vonden tegelijkertijd in het diepste geheim onderhandelingen plaats in het Noorse Oslo. Deze onderhandelingen mondde later uit in de zogenoemde Oslo akkoorden waarmee Palestijnen voor een interim periode van 5 jaar beperkt zelfbestuur zouden krijgen.
Haider Abdel Shafi was net als mijn oom Bassam een verklaard tegenstander van deze geheime onderhandelingen in Oslo. Beide zagen weinig in deze nieuwe onderhandelingen tenzij Israel zou voldoen aan enkele voorwaarden, zoals het stopzetten van de bouw van nederzettingen, de erkenning van het recht op zelfbeschikking en het recht op terugkeer van vluchtelingen. Volgens de beweging van Haider Abdel Shafi kunnen Palestijnen alleen succesvol onderhandelen wanneer zij democratiseren, als mensenrechten worden gerespecteerd en een einde komt aan corruptie.
Israels besluit om deze tunnel te openen is weliswaar de aanleiding van de demonstraties - maar eigenlijk is iedereen woedend op het wangedrag van de Palestijnse Autoriteit.
Samen met m’n nichtje en haar studiegenoot lopen we naar de hoofdstraat. Er worden leuzen geroepen tegen de Oslo akkoorden en tegen Israel. Er worden leuzen geroepen tegen de Oslo-akkoorden en tegen Israël. Ghadir steekt de straat over en loopt naar haar Fiat. Ik ga naast haar zitten op de bijrijderstoel.
Honderden betogers lopen voorbij - ze gaan richting Qabr Yusuf - waar de meeste Israëlische soldaten en kolonisten zijn. Fadel gaat er ook heen. We rijden langs een wegblokkade van de Palestijnse politie. De agenten proberen de betogers tegen te houden maar uiteindelijk laten ze iedereen door. Ze zijn bang zelf het doelwit te worden van de demonstranten. Ghadir parkeert haar auto in de berm. Er staan honderden betogers langs de weg, We zien in het dal een groep van ongeveer 40 Israelische soldaten. Palestijnse politieagenten proberen betogers weg te houden. Opnieuw hoor ik schoten. Ik kan alleen niet zien waar ze vandaan komen. Als mijn familie weet dat wij hier zijn hebben we een groot probleem. Mijn nichtje vind het spannend. We lopen we terug naar de auto.
Mijn nichtje Ghadir heeft haar autosleutel amper in het contact of de achterdeur van haar FIAT wordt met een ruk open getrokken. Twee jongens leggen een gewonde jongen op de achterbank. Mijn nichtje trapt het gaspedaal in. Naar het ziekenhuis. Ik kijk naar de gewonde betoger. Zijn spijkerbroek is opengescheurd. Er is niet veel bloed maar ik zie duidelijk een kogelgat en de kogel zit nog in zijn been. Mijn nichtje vraagt zich hardop af waarom we zo nodig moesten gaan kijken - ze weet dat we niets anders kunnen doen dan snel naar het ziekenhuis rijden. We dragen de gewonde vriend naar binnen.
Een uur later zijn we terug bij het huis van mijn familie. In de woonkamer staat de TV aan. We zeggen niets over wat er net is gebeurd. De telefoon gaat. Mijn oom neemt op en zegt vrolijk dat het Ghadir’s studiegenoot is. Mijn nichtje neemt de telefoon aan, praat zachtjes en wordt vuurrood. Geschrokken kijkt ze naar de televisie. Fadel had ons op de lokale tv gezien. Hij had ons weg zien rijden met de gewonde jongen.
Is dit het begin van een nieuwe intifada? Waren het protesten tegen de bezetting of zijn de frustraties met de Palestijnse Autoriteit op een hoogtepunt? Dat hoor je in de volgende aflevering van Niet iedereen kan stenen gooien.
Shownotes #6 - de invasie

Tien weken lang wordt Beirut gebombardeerd en belegerd. Khaled probeert te overleven en zoveel mogelijk mensenlevens te redden terwijl de stad wordt afgesneden van electriciteit, water en voedsel.
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, Achter het Nieuws (VARA), Brandpunt (KRO), Televizier Magazine (AVRO), NBC, ABC, ITN, UN Audiovisual Library, C-SPAN
Artikelen: Permission to narrate, Edward Said, London Review of Books, 16 February 1984
Documenten: White Phosphorus Used in Gaza, Lebanon, HRW October 2023; Report of the International Commission to enquire into reported violations of International Law by Israel during its invasion of the Lebanon (PDF); Timeline Israeli invasion (IPS); Sabra and Shatila Massacre: Evidence from the Kahan Papers (2021); Archive Documents: The Kahan Commission and the 1982 Sabra-Shatila Massacre
Documentaires en films: Waltz with Bashir; Gaza Hospital; How Beirut's Commodore Hotel became a safe haven for the world's media (2018)
Script #6 - de invasie
Het is de eerste week van juni 1982. Te midden van de oorverdovende knallen en sirenes zoekt mijn oom Khaled met zijn buurtgenoten naar dekking in de Libanese hoofdstad Beirut. Dit bombardement was het begin van de Israelische invasie in Libanon.
Tien weken lang wordt Beirut gebombardeerd en belegerd. Khaled probeert te overleven en zoveel mogelijk mensenlevens te redden terwijl de stad wordt afgesneden van electriciteit, water en voedsel.
Het is juni 1982. Ik loop met m’n vader door de straten van Amsterdam. We protesteren tegen de Israëlische invasie in Libanon. Een bloedige oorlog is het gevolg met als dieptepunt de slachtpartijen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Elke keer als we een fotograaf zien, kijken we naar de grond. Mijn vader is bang dat als we herkend worden, we niet meer op familiebezoek kunnen.
Khaled is de jongste broer van mijn vader. Nadat mijn opa in 1968 was gedood door een luchtaanval van het Israelische leger op de plaats Salt in Jordanie, kreeg Khaled als jongste de gelegenheid om in Roemenië geneeskunde te studeren. Mijn vader en zijn oudere broer werkten toen al in Nederland.
Na zijn studie vertrok Khaled via Syrië naar Libanon. Daar werkt hij als arts en ontmoette hij zijn Libanese vrouw Amira.
Toen Israelische gevechtsvliegtuigen in juni 1982 Palestijnse locaties in de buurt van het vliegveld bombardeerden woonde en werkte hij in de Libanese hoofdstad Beiroet. Te midden van de oorverdovende knallen en sirenes die daarop volgden, zochten zij en hun buurtgenoten naar dekking.
In de periode voor de Israelische invasie in juni waren er over en weer beschietingen maar voorafgaand aan de Israelische invasie in 1982 was een staakt-het-vuren tot stand gebracht dat bijna een jaar had standgehouden.
De spanningen waren al hoog in die tijd omdat Israël in december 1981 besloot de Golan Hoogvlakte te annexeren – een gebied dat het sinds 1967 militair had bezet.
De toenmalige minister van Defensie en latere premier van Israel, Ariel Sharon, was al bezig met een invasieplan. Het enige wat nog nodig was voor Israël was een aanleiding. Die kwam met de moordpoging op de Israelische ambassadeur in London. Hoewel deze aanslag was gepleegd door een rivaliserende anti-PLO groep in opdracht van de Iraakse geheime dienst, gaf Israel de PLO de schuld.
Aanvankelijk wilde Israel, Libanon 40 kilometer binnen dringen maar de troepen van Ariel Sharon drongen twee keer zo ver door, veroverden een derde van Libanon en omsingelde de hoofdstad.
Lange colonnes van tanks stormden over de grens, langs VN vredeshandhavers in een bufferzone langs de grens.
Uiteindelijk trokken ongeveer 76.000 Israëlische troepen en meer dan 1.000 Israëlische tanks Libanon binnen. Gevechtsvliegtuigen bombardeerden zoveel mogelijk Palestijnse doelen, vooral de vluchtelingenkampen vlakbij de luchthaven van Beiroet. Al in de eerste week waren 500 gebouwen volledig verwoest. De blokkade van West-Beiroet was begonnen.
Het Israëlische leger omsingelde snel West-Beiroet, de locatie van het hoofdkwartier van de PLO, en belegerden dat deel van de stad gedurende de zomer, waarbij het werd onderworpen aan zware en soms aanhoudende bombardementen vanaf land, lucht en zee.
Ze ondernamen verschillende pogingen om West-Beiroet binnen te komen, maar slaagden er alleen in open gebieden ten zuiden van de stad te veroveren. Premier Begin beloofde de Amerikaanse president dat de invasie alleen gericht was om Palestijnen vijfentwintig kilometer terug te dringen. Hij beriep zich op zelfverdediging.
Beiroet werd belegerd.
Khaled verbleef met ongeveer een half miljoen inwoners in het westen van de hoofdstad. De meesten opeengepakt in flats, een dichtbevolkt gebied van ongeveer 15 vierkante kilometer.
Hij vertelde me ooit dat het Israelische leger duizenden pamfletten lieten vallen. De ene dag waren ze wit - de andere dag blauw of een andere kleur. Inwoners werden opgeroepen te vertrekken en gewaarschuwd om geen PLO strijders te beschermen.
Het Israëlische leger sloot elektriciteit en water af en blokkeerde de toevoer van voedsel en brandstof. Khaled vertelde hoe ziekenhuizen in de omgeving kampten met ernstige tekorten aan medicijnen. Ze zaten vaak zonder water, elektriciteit of telefoonverbindingen. De voedselvoorraden raakten op. Babyvoeding, melk en basis medicijnen kwamen maar niet binnen.
Khaled sprak uitgebreid over zijn ervaringen in het ziekenhuis. Hij herinnerde zich hoe hele families onder het puin werden gehaald en naar het ziekenhuis werden gebracht en dat hun lichamen nog steeds aan het smeulen waren.
Ze zagen een toenemend aantal slachtoffers met brandwonden door Israelische fosforgranaten die deel uitmaakten van het intense bombardement. Die wonden zijn opvallend. Omdat fosfor aan de huid blijft plakken en urenlang kan branden zijn die wonden moeilijk te behandelen. Het kan niet met water worden gedoofd, de wond gaat dan nog meer branden.
Khaled herinnert zich dat slachtoffers vaak in het ziekenhuis aankwamen terwijl er nog steeds rook uit het lichaam komt als gevolg van inwendige brandwonden. Zo werd er een vrouw binnengebracht waarbij de rook van de brandende fosfor bij elke pijnlijke ademhaling uit zijn neus en mond kwam. Ze moesten toen de granaatscherven uit haar snijden voordat ze de verbranding konden stoppen door het verschroeide weefsel weg te snijden.
Het gebruik van fosforgranaten door het Israelische leger is bekend en mensenrechtenorganisaties zeggen dat Israël deze munitie tot op de dag van vandaag gebruikt tegen burgers. Door gebrek aan expertise moesten artsen zich baseren op informatie van Amerikaanse militaire artsen in Vietnam en een handboek over oorlogschirurgie van de NAVO. De geur van fosfor is onmiskenbaar.
Beschietingen met artillerie maakten het leven in Beiroet ondraaglijk. Het aantal burgerslachtoffers was enorm. Niets was veilig. VN-gebouwen, ambassades, ziekenhuizen of klinieken, het Rode Kruis of gebouwen waar journalisten verbleven.
Israël schreef het hoge aantal burgerslachtoffers in de Libanonoorlog van 1982 vaak toe aan het gebruik van menselijke schilden door de PLO maar het viel verslaggevers juist op hoeveel PLO faciliteiten nog in tact waren. De bombardementen werden steeds willekeuriger waarbij duizenden burgers om het leven zijn gekomen.
Het duurde een maand voordat de Amerikaanse president Reagan erbij Israel op aandrong om de blokkade van West-Beiroet op te heffen en de water en elektriciteitsvoorziening te herstellen. Pas een maand later zei de Amerikaanse president pas dat het bloedvergieten moest stoppen. Reagan had volgens verslaggevers gezegd dat als de reactie op sluipschuttervuur van de PLO een Israelisch bombardement van 14 uur is, dit de betekenis van een defensie actie te ver oprekt.
Wat erna volgde was een meedogenloze aanval van bombardementen en beschietingen. Volgens Khaled bleven de puinhopen door het gebrek aan water en stroom branden. Hele appartementengebouwen werden met de grond gelijk gemaakt. Er waren bombardementen vanuit de lucht en artilleriebeschietingen.
Tien weken duurde het beleg van Beiroet met tienduizenden Libanese en Palestijnse burgerslachtoffers. Een kwart jonger dan 15 jaar. Het Palestijnse vluchtelingenkamp Ain al Hilwe vlakbij Sidon het grootste Palestijnse vluchtelingenkamp in Libanon werd geheel verwoest.
De PLO was zwaar geraakt. Uiteindelijk kwamen Arafat en de belegerde PLO-leiding overeen om te evacueren. Yasser Arafat en driekwart van zijn strijders verlieten. Khaled weet nog hoe de PLO werd uitgezwaaid. Sommige strijders schoten in de lucht terwijl ze naar de haven gingen. Arafat vertrok zelf per schip en vestigde zich uiteindelijk in Tunis, waar de PLO haar nieuwe hoofdkwartier vestigde.
Er was nu een multinationale troepenmacht van Franse, Italiaanse en Amerikaanse troepen. Deze troepenmacht zou ook de veiligheid van Palestijnse vluchtelingen garanderen. Ze zou na de terugtrekking van de PLO op 1 september nog 30 dagen blijven - maar op 10 september gingen ze weer weg.
Een paar dagen later werd Bashir Gemayel vermoord. Later bleek dat Syrie achter de aanslag zat. Meteen daarna trok het Israelische leger West Beiroet binnen en omsingelden de wijk Sabra en het vluchtelingenkamp Shatila en verhinderde dat iemand het gebied kon verlaten. Israëlische troepen lieten vervolgens woedende falangisten, die de PLO de schuld gaf van de dood van Gemayel, Sabra en Shatila binnenkomen.
Getuigenissen van de massamoorden beschrijven gruwelijke daden van slachting, verminking, verkrachting en massagraven. Beelden van de nasleep werden wereldwijd op televisie uitgezonden en veroorzaakten wereldwijde verontwaardiging.
Twee volle dagen werden milities van falangisten binnengebracht terwijl het Israelische leger vluchtwegen bewaakten. Het moorden duurde 43 uur, van donderdag 16 september 18.00 uur tot zaterdagmiddag 18 september.
De actieve steun met de Israelische omsingeling van het gebied en het afvuren van lichtkogels waardoor de slachting ‘s nachts doorging werd ook bevestigd door getuigenissen in de bekende animatie film Waltz with Bashir van de Israelische Libanon veteraan Ari Folman. Toen de film in première ging eind 2008 begin 2009 bombardeerden Israelische gevechtsvliegtuigen de Gazastrook. Terwijl Waltz with Bashir in de prijzen viel, regende het Ironisch genoeg witte fosfor in de Gazastrook - werden Palestijnen gebombardeerd in de dichtbevolkte steden en vluchtelingenkampen.
Het bloedbad in Sabra en Shatila benadrukt de kwetsbaarheid van miljoenen Palestijnen. De VN veroordeelden het bloedbad en een Israëlische onderzoekscommissie stelde vast dat Ariel Sharon “persoonlijke verantwoordelijkheid” droeg het bloedbad.
Dertig jaar later werden de tot dan toe geheime passages van het rapport van de Kahan commissie vrijgegeven. Documenten uit de Israelische staatsarchieven toonden de weloverwogen en lang vaststaande besluiten van Ariel Sharon en anderen om de falangisten de Palestijnse vluchtelingenkampen in te sturen met als doel om de bevolking te vermoorden en te verdrijven.
Benjamin Netanyahu was in die tijd de tweede man op de Israelische ambassade in Washington. Uit dezelfde geopenbaarde archieven blijkt dat Israelische diplomaten de Amerikaanse regering had misleid en had doen laten geloven dat tweeduiend terroristen in de kampen waren achtergebleven. Dit terwijl de bloedbaden plaatsvonden.
Geen enkele dader of verantwoordelijke is ooit ter verantwoording geroepen en ondanks dat de Verenigde Naties, Israelische autoriteiten of strijdkrachten direct en indirect betrokken waren bij de bloedbaden werd Ariel Sharon in 2001 gekozen tot premier van Israël.
Khaled woont met zijn vrouw en kinderen nog steeds in Libanon. Hij werkt voor de Palestijnse Rode Halve Maan en leidt een ziekenhuis in het oosten van Libanon.
Op 16 februari 1984 verscheen in de London Review of Books een essay onder de titel Permission to Narrate. Het essay was geschreven door de bekende Palestijnse intellectueel Edward Said. In het essay beschrijft hij de manier waarop de Israelische invasie in Libanon in Amerika en Europa werd beschreven en verdedigd.
Er was geen ruimte voor een Palestijns perspectief. Hij beschrijft dat ondanks dat talloze officiële rapporten en onderzoeken waarin is aangetoond hoe Palestijnen systematisch zijn onderdrukt, ontheemd, vermoord en ontmenselijkt - deze feiten spreken niet voor zichzelf.
Edward Said verwijst in zijn essay naar het onderzoek van de internationale commissie onder leiding van Nobelprijswinnaar en oud voorzitter van Amnesty International - Seán MacBride waarin werd gekeken naar gerapporteerde Israëlische schendingen van het internationaal recht tijdens de invasie in Libanon.
Deze commissie zegt dat Israël zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht zoals het willekeurig bombarderen van burgerdoelen zoals scholen en ziekenhuizen en het systematisch bombarderen van steden, dorpen en vluchtelingenkampen.
En toch spreken deze feiten niet voor zichzelf. Volgens Edward Said worden Palestijnen voortdurend gevraagd deel te nemen aan de ontmanteling van hun eigen geschiedenis - aan het uitwissen van hun verhalen. Hij roept hij op om te vertellen en vast te leggen. Iets wat tot op de dag van vandaag hard nodig is.
Shownotes #7 - de strook
Op 22 juli 2002 verwoestte een luchtaanval op een appartementencomplex vele levens. Opgroeien in een bezet gebied omgeven door geweld heeft verwoestende gevolgen vor kinderen.. Wat betekent dit voor Gaza en voor het welzijn en de bescherming van Palestijnse kinderen?
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, Hier en Nu (NCRV), Zembla (VARA), Democracy Now, Free Speech Radio, UN Audiovisual Library, C-SPAN
Artikelen: The Gaza Strip: A Case of Economic De-Development, Sara Roy, Journal of Palestine Studies (1987), The Twelve Wars on Gaza, Jean-Pierre Filiu, Journal of Palestine Studies (2014)
Documenten: Razing Rafah, HRW (2004), Impact of trauma on Palestinian children’s mental health: lessons from Gaza studies (2003); Application of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide in the Gaza Strip (South Africa v. Israel)
Documentaires en films: Gaza Strip (James Longley, 2001), Elusive Peace: Israel and the Arabs (BBC/PBS, 2005), Habibi (Susan Youssef, 2011), Close your Eyes Hind (2025)
Script #7 - de strook
Ra’ed haalde net zijn tweede verjaardag niet. Mohammad kwam niet verder dan vier. Diana was pas 5. Ze werden samen met hun moeder Iman gedood. Ala zou naar de middelbare school gaan. Hij was net 11. De jongste – Dina, was slechts twee maanden.
De Israëlische premier Ariel Sharon noemde de aanval van de Israëlische jachtbommenwerper boven Gaza een groot succes. Twee dagen lang durfde niemand Hanaa te vertellen dat haar 2 maanden oude dochter was gedood. Ze had in het ziekenhuis nog beschreven wat Dina aan had zodat ze haar konden herkennen in het puin. In de podcast serie Niet iedereen kan stenen gooien neem ik je mee op mijn zoektocht naar de bewogen geschiedenis van mijn familie in Palestina.
In deze aflevering gaan we terug naar Gaza. In de zomer van 1981 was ik op familiebezoek in Palestina. Als ze er naar gevraagd werden, zeiden mijn ouders dat we naar het Midden-Oosten gingen. Dit om discussies te voorkomen. In die tijd was het nog mogelijk om met de auto met een Palestijns kenteken van Nabloes naar Gaza te rijden.
Welkom in Gaza - staat er op een bord. De lange weg loopt naar Gaza stad met daarachter de kampen die zich uitstrekken naar de zee. We bezochten Jabalia, het grootste vluchtelingenkamp in Gaza, gingen naar het strand en zwommn in de zee. Gaza is een fragment van Palestina. Op een oppervlakte van 360 vierkante kilometer woonden toen 460 duizend Palestijnen en 2 duizend kolonisten opeengepakt in een van de dichtsbevolkte gebieden ter wereld.
Vóór de catastrofe van 1948 woonden er 80 duizend Palestijnen. De economie was verbonden met zuid Palestina, Hebron en Bir Saba en Eygpte. Gaza stad was de op twee na grootste Palestijnse havenstad. Khan Younis en Rafah waren belangrijke marktplaatsen voor lokale landbouw produkten en Rafah was de laatste halte op de spoorlijn naar Egypte. Na de catastrofe in 1948 was de bevolking in Gaza enorm gegroeid door de toevloed van 200.000 vluchtelingen. De meeste van hen kwamen uit dorpen en steden in de buurt.
In het VN Verdelingsplan van 1947 zou Gaza een van de belangrijkste havensteden worden van de toekomstige staat. De massale toestroom van vluchtelingen leidde ertoe dat de lokale economie instortte. De haven verloor het grootste deel. De Gazastrook kwam onder Egyptische militaire controle maar de vluchtelingen wilden terug naar hun huizen en dorpen. Zij probeerden regelmatig de bestandslijn over te sluipen om achtergelaten bezittingen terug te halen. Zij die niet door Israel werden gedood of gevangen genomen, riskeerden bij terugkeer strenge straffen van het Egyptische leger. Een plan van Egypte, de VN en de Verenigde Staten om Palestijnen in de Sinai te hervestigen kon rekenen op enorme protesten.
Tijdens de Suezcrisis van 1956 bezette Israël de Gazastrook. Terwijl de wereldwijde aandacht gericht was op Egypte, werden in Khan Yunis en Rafah honderden Palestijnen opgepakt en standrechtelijk geëxecuteerd. Onder internationale druk moesten de legers van Israel, Frankrijk en Engeland zich terugtrekken. In de Gazastrook werd een VN leger gestationeerd.
En dan - in 1967 - valt het Israelische leger Gaza opnieuw aan. Kort daarvoor hadden de VN troepen Gaza verlaten. In Gaza duurde de oorlog 48 uur. Een tiende van de bevolking in de strook werd opnieuw gedwongen te vluchten. Duizenden huizen werden verwoest om plaats te maken voor brede patrouillewegen voor het Israelische leger. Het gebied werd onbewoonbaar voor duizenden Palestijnen. Ariel Sharon, de latere premier van Israel, had in die tijd de militaire leiding over het gebied. Ze noemden hem ‘de bulldozer’.
Dagelijks pendelen duizenden Gazanen naar Israel om te werken als goedkope arbeidskrachten. Onderweg rijden ze langs de dorpen en steden waar vandaan hun families zijn verdreven. De haven van Gaza die tijdens de oorlog was verwoest werd niet hersteld en handel - vooral van citrus producten was onmogelijk gemaakt. Een bekende Gazaan Haider Abdel Shafi had in de jaren 70 niet alleen de Palestijnse Rode Halve Maan opgericht maar was ook samen met mijn oom een van de grondleggers van de nationale beweging van lokaal verkozen burgemeesters en maatschappelijke organisaties in die tijd.
De Camp David Akkoorden betekende weinig voor Palestijnen. Het Israelische leger trok zich weliswaar terug uit de Sinaï woestijn maar in Gaza nam Israelische repressie verder toe. Langs de kust werd land onteigend voor Israelische nederzettingen. In de overbevolkte vluchtelingenkampen heerst armoede en werkloosheid.
Het was in Jabalia, het grootste vluchtelingenkamp, waar op 9 december 1987 de Palestijnse volksopstand uitbrak. Daar rijdt een Israëlisch leger in op een busje met Palestijnse arbeiders. Vier Palestijnen uit Jabalia werden gedood toen ze werden aangereden door een Israelisch legervoertuig. De begrafenis ontaardde in een massaal protest. De volgende dag verspreidden demonstraties naar de Westelijke Jordaanoever. Mijn neef vertelde dat een jaar eerder twee medestudenten aan de Birzeit universiteit door het Israelische leger werden gedood. Jawad en Saeb waren 22 jaar. Ze woonden in Gaza en hun dood leidde tot demonstraties die zich verspreidden over de meeste kampen en scholen in Gaza. Een dag later werd de universiteit gesloten. Dagelijks werden Gazanen geconfronteerd met willekeurige arrestaties, vernederingen en een verbod op elke referentie naar Palestina. Een pasjes systeem werd ingevoerd om Palestijnen verder te beperken.
In januari 1991 trekt Israel het algemene uitreisbevel in. Vanaf dat moment moeten Palestijnen voor elke reis toestemming vragen. Het aantal werknemers dat kon werken werd drastisch verminderd. Vele families was dat tot dan het enige inkomen. Nog iets later wordt een hek om Gaza gebouwd. Israël kon nu willekeurig de volledige strook afsluiten.
In 1994 droeg Israël de gedeeltelijke verantwoordelijkheid voor het bestuur van de Gazastrook en Jericho over aan de nieuw opgerichte Palestijnse Autoriteit. PLO-leider Yasser Arafat keerde in juli 1994 terug naar Gaza en vestigde daar aanvankelijk de hoofdzetel van de PA. Mijn familie hoopten net als veel Palestijnen op vrijheid maar werd geconfronteerd met een Palestijns leiderschap dat hun rechten opgaf in ruil voor persoonlijke erkenning en de schijn van macht. Er werd afgesproken dat de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever als één gebied moesten worden gezien, en men hoopte dat reizen tussen de twee gebieden makkelijker zou worden. Maar de realiteit bleek anders. Het vredesproces werd een opeenstapeling van illusies. Zelfs tijdens de hoogtijdagen van het vredesproces werd het Palestijnen in de Gazastrook verboden de hoofdwegen te gebruiken. Het Israelische leger had deze gereserveerd voor exclusief gebruik door kolonisten.
In die periode bezocht ik Gaza geregeld voor werk. Om de maand reisde ik naar de strook om de uitslagen van opiniepeilingen op te halen. Voordat je Gaza binnen kon komen moest je door de enorme, fortachtige grensovergang Erez. Een reis door de 45 kilometer strook kon op een goede dag ruim 3 uur duren. Op een slechte dag deed je er 8 uur over. In Gaza was het Israelische controlesysteem over elk aspect van het leven alom vertegenwoordigd.
Ik werkte voor een Palestijns onderzoekscentrum dat geregeld de mening peilde van Palestijnen over het vredesproces en het functioneren van de kersverse Palestijnse Autoriteit. Daarnaast werkte ik voor de Nationale Ombudsman. Deze organisatie ontving, onderzocht en behandelde klachten over mensenrechten. Ik was toen de enige op kantoor die met een buitenlands paspoort werd toegelaten.
De Nationale Ombudsman was opgericht in 1993 en werd geleid door de Palestijnse psychiater Iyad Sarraj. Hij had een aantal jaren eerder in Gaza een centrum voor mentale gezondheid opgericht. Zijn werk richtte zich vooral op kinderen en jongeren. Eyad maakte zich zorgen. Er was geen plek voor geestelijke gezondheid, geen infrastructuur en geen professionele zorg. Hij begreep de emotionele staat van jongeren, waarin families zijn verwoest en vaders hun plek hadden verloren door mishandeling en vernedering of doordat ze opgesloten, gedood of gewond waren.
Eyad had een belangrijke overtuiging. Hij vertelde me dat bijna iedereen in Gaza heeft geweld van dichtbij meegemaakt. Meer dan de helft heeft gezien hoe zijn of haar vader werd afgeranseld en vernederd door Israëlische soldaten, en iets minder dan de helft is zelf ooit gewond geraakt. Terwijl onderdrukking en het verzet daartegen vele vormen kan aannemen, ligt de krachtigste vorm in het bewaren van iemands menselijkheid in de aanwezigheid van wreedheid en in het zoeken naar die menselijkheid in anderen.
Het was ook in diezelfde periode dat ik Raji Sourani, de belangrijkste mensenrechtenadvocaat in Gaza, leerde kennen. Zowel Iyad als Raji waren zeer uitgesproken en kritisch, zowel op Israel als op de kersverse Palestijnse Autoriteit. De Palestijnse Autoriteit kwam al snel onder vuur te liggen wegens het verkwanselen van rechten, mensenrechten schendingen en corruptie. Journalisten werden geintimideerd en kritiek op het Oslo proces en Arafat was taboe. Raji werd in 1995 meerdere keren gearresteerd nadat zijn mensenrechten organisatie kritiek had geuit op de Palestijnse Autoriteit. Iyad werd dat jaar drie keer gearresteerd door Yasser Arafat’s veiligheidsdiensten. Tijdens zijn derde detentie werd hij fysiek mishandeld. Hij noemde de Palestijnse Autoriteit corrupt, dictatoriaal en onderdrukkend. Intussen werd de Gazastrook steeds vaker afgesneden van de buitenwereld. Ondanks pogingen tot herstel, zoals de plannen voor een haven in Gaza, werd elke poging tot onafhankelijkheid gesaboteerd.
Op een regenachtige dag op 18 januari 1996, schuilden onder het dak van Yasser Arafats residentie in Gaza, premier Kok, Hans van Mierlo, de toenmalige minister van buitenlandse zaken en een groepje journalisten. Ze waren daar voor het symbolisch leggen van de eerste steen voor een Palestijnse haven. De bouw was zelfs vastgelegd in de Oslo akkoorden. Twee jaar later was er nog geen steen bijgekomen. De belangrijkste reden: de in 1996 voor het eerst verkozen premier Benjamin Netanyahu - een fervant tegenstander van Oslo. De enorme vertraging met de bouw irriteerde Premier Kok. Mondjesmaat uitte Nederland kritiek, eigenlijk ondenkbaar in die periode.
Met de start van de tweede intifada in september 2000 werden de werkzaamheden voorgoed stilgelegd. Een jaar later, rolden Israelische tanks en bulldozers over de bouwplaats, alles werd met de grond gelijk gemaakt.
Vlak na het begin van de tweede grote opstand in september raakte de meeste Palestijnen uit Gaza die nog werk hadden hun baan kwijt. Ook werden alle grensovergangen gesloten en werd import uit Gaza verboden.
Meer dan de helft van het grondgebied in Gaza werd gecontroleerd door 20 duizend Israelische soldaten en 6 duizend kolonisten. Veertig militaire controle posten, wegblokkades en een zestig kilometer lang hek maakten de Gazastrook tot de grootste openluchtgevangenis ter wereld. Het Oslo-proces was mislukt, en velen, waaronder mijn familie en vrienden, hadden dat al lang zien aankomen.
De omgeving ziet eruit alsof er een aardbeving is geweest. Het is begin 2002. Ik werk inmiddels voor een mensenrechten organisatie. Samen met collega’s en medewerkers van Raji ben ik in Rafah, in het zuiden van de Gazastrook. Mensen zijn opnieuw ontheemd. Twee tieners, Manar en Mahmoud trekken me aan de hand door blok O en J van het vluchtelingenkamp. Tientallen tanks en pantserwagens trokken hier ‘s nachts een spoor van vernieling.
Er wonen zo’n 145 duizend Palestijnen in Rafah. Het is een van de armste en meest verwoeste gebieden in de Gazastrook. Door Israelische wachtposten is de stad afgesneden van de noordelijke helft van de Gazastrook en kunnen mensen zich niet vrij bewegen. Rafah ligt op 10 kilometer van de Middellandse Zee maar toegang is geblokkeerd door de Israelische nederzetting Gush Katif dat langs de kust loopt. Een gebied met de beste waterbronnen van Gaza.
Veel buurten zijn vernoemd naar landerijen die eigendom waren van de oorspronkelijke bewoners van Rafah. Het vluchtelingenkamp werd na de oorlog en massale ontheemding in 1948 opgericht om vluchtelingen op te vangen en is verdeeld in verschillende alfabetische blokken. De bevolkingsdichtheid is hoog.
Het grensgebied tussen Egypte en de Gazastrook snijdt dwars door gezinnen en families. Langs de grens is een roze zone van 100 meter breed, zwaar bewaakt door het Israelische leger. De kleur is afkomstig van de kaart die als bijlage diende bij het Gaza-Jericho akkoord tussen de PLO en Israël uit 1994.
De grenspoort van Rafah met Egypte was ooit de weg die naar het Canadese vluchtelingenkamp van Rafah leidde - voordat deze in tweeen werd gesneden door een grens die permanent werd gemaakt door de Camp David akkoorden. Het is nu een doodlopende weg met verschroeide huizen, dichtgetimmerde winkels, getekend door kogelgaten en af en toe een krater van Israelische tankgranaten.
Tijdens een wandeling naar het oosten langs de zandduinen kun je goed zien hoe Rafah van de grens wordt afgeduwd. Op een geploegd stuk land liggen tientallen ontwortelde jonge olijfbomen. Van het Rode Kruis en de VN krijgen ze alleen maar delegaties op bezoek maar geen materiaal om huizen te herbouwen. Er waren geen waarschuwingen gegeven. Bij het horen van de naderende bulldozers renden mensen weg uit hun huizen. Ze moesten hun spullen achterlaten. Die nacht werd een complete wijk aan de rand van het vluchteingenkamp weggevaagd. Tweeduizend vluchtelingen zijn door deze verwoesting voor de tweede of soms derde keer dakloos geworden.
We lopen als ramptoeristen door de omgeving. Bewoners dwalen door de verwoesting. Ze klimmen over puin en verwrongen staal. Ze verzamelen stukken hout en zijn op zoek naar spullen die nog te redden zijn. Er is weinig meer over van de inboedel. Ooggetuigen vertelde me dat de bulldozers s nachts om 2 uur de dichtbevolkte wijk binnen reden. Gebouwen werden neergehaald. In de striemende winterregen van januari moesten ze opnieuw op de vlucht.
Onderweg naar Erez in het noorden horen we een F-16 door de geluidbarriere breken. De taxichauffeur denkt dat dit een voorbode is voor een luchtaanval. Zijn angst wordt ’s avonds bevestigd. De Israëlische luchtmacht bombardeert gebouwen van de Palestijnse Autoriteit in Gaza. Tientallen Palestijnen en twee VN-medewerkers raken gewond.
Een paar maanden later ben ik opnieuw in Gaza. Samen met Palestijnse journalisten, VN waarnemers en mensenrechten experts loop ik door de dichtbevolkte woonwijk Daraj. In de nacht van 22 juli drukte een Israelische F-16 piloot op een knop, waarmee hij een bom van duizend kilo liet vallen op een gebouw van drie verdiepingen. Het was een luchtaanval in Gaza-stad, gericht op een lokale leider van Hamas, Saleh Shehadeh. Hij woonde met zijn gezin op de bovenste verdieping. Shehadeh, zijn vrouw en dochter waren op slag dood. De een ton wegende bom, afgeworpen op een appartementencomplex in het midden van de woonwijk, trof ook andere gezinnen en kinderen. Nog eens 150 mannen, vrouwen en kinderen raakten gewond.
De toenmalige minister van Defensie, Benjamin Ben-Eliezer, verklaarde eerst dat ze geen informatie hadden dat er burgers in het gebouw waren maar Dan Halutz gaf een jaar later toe dat zowel de regering als het leger op de hoogte waren en toch doorzette.
De familie Matar woonden in een bescheiden huis in de directe omgeving. Het huis is volledig verwoest. Ze hadden geen idee dat hun buurman een Hamas leider was. Dina, een baby van slechts twee maanden, was het jongeste slachtoffer. Ze verbleef met haar moeder Hanaa op de tweede verdieping. Hanaa overleefde het bombardement, gewond aan haar arm en met rug en beenwonden. Ze had in het ziekenhuis beschreven wat Dina aan had, zodat ze haar zouden kunnen herkennen in het puin.
Bijna twee dagen lang durfde niemand Hanaa te vertellen dat haar dochter was gedood. Ze werd in het ziekenhuis in de waan gelaten dat het goed ging met haar dochter. Toen ze het haar uiteindelijk vertelden, viel ze flauw. Hanaa’s zwager, Ra’ed, die ook op de twee verdieping was, verloor zijn vrouw en drie kinderen. Daila van 5, Mohammed zou die dag 3 worden. Zijn jongere zusje Iman was een jaar jong. Drie dagen na de luchtaanval werden nog steeds delen van hun kinderen uit het puin gehaald.
Mahaa was die avond laat wakker om te studeren voor een tentamen. Zij studeerde aan de uviersiteit. Haar moeder, zussen en neef zaten in een andere kamer en overleefden het bombardement. Maar net als van de rest van het huis is er van die kamer weinig meer dan puin. De familie trok in bij een tante.
Daraj is een bekende woonwijk. Het was ondenkbaar dat er bij zo’n bombardement geen kinderen zouden worden gedood. De meeste slachtoffers sliepen toen de bom viel. Een enkeling werd waker door het geluid van de F-16 anderen door een lichtflits en het donderen van de explosie. Er was iemand die dacht dat het een aardbeving was.
De Israëlische premier Ariel Sharon noemde de aanval van de Israëlische jachtbommenwerper een groot succes. Hij zei ook: "Natuurlijk hebben wij geen belang bij het doden van burgers en wij betreuren het als burgers worden geraakt". Maar de statistieken spraken hem tegen. Met bijna zeventienhonderd Palestijnse doden en rond de twintigduizend gewonden, waarvan het merendeel burgers, wie kon hem nog geloven?
We lopen met de groep door het puin. De huizen om de verwoeste gebouwen zijn beschadigd. Eigenlijk staan alleen de betonnen muren nog overeind. Alles wat daartussen zat, is door de explosie weggevaagd of verbrand. Terwijl sommige de krater bekijken, loop ik verderop met een paar kinderen naar de rand van het gebied.
Hoe kon zijn commandant de opdracht hebben gegeven, hoe kon de geheime dienst hem hebben vertreld dat het gebouw leeg was en hoe kon de bommenlader denken dat in een dichtbevolkt gebied zo’n zware bom nodig was? Hoe konden de Israelische chef-staf en zijn verantwoordelijke minister toestemming geven om midden in de nacht deze buurt op te schrikken en om een dag later te horen dat de premier het een geweldig succes vond?
De timing kon niet slechter. Een veelbelovend akkoord voor een staakt-het-vuren, omarmd door alle belangrijke facties, werd te niet gedaan. Het was duidelijk dat de aanval was goedgekeurd om een veelbelovend staakt-het-vuren, omarmd door alle Palestijnse facties, te torpederen.
In het arabisch vraag ik de kinderen hoe het met ze gaat. Ze vertellen over de nacht, de explosie, de angst, het geschreeuw en de doden en gewonden. Ze nemen me mee naar een tent die is opgezet als rouwplek. Daar hangen hun tekeningen. Het zijn tekeningen van de nacht. Ze wijzen naar de rode en zwarte potloodstrepen op het papier. Een cassettebandje met Koranrecitaties draait.
Veel kinderen in Gaza plassen in bed, kunnen niet slapen en klampen zich vast aan hun moeders. De gevolgen op de lange termijn van trauma zijn erger. Je hoeft je niet veel voor te stellen wat het met deze kinderen in de toekomst doet. Deze kinderen voelen zich extreem onveilig.
Deze kinderen, getuigen van gruwel daden, vertellen me wat ze later willen worden. Ze willen bij het verzet, zegt een klein ventje stoer. Ik wil strijden en mijn land verdedigen, zegt het mannetje naast hem. Ze hebben gezien dat hun ouders niet in staat waren hen te beschermen. Dat is funest voor hun ontwikkeling. Ze hebben nachtmerries, zijn agressief en bang, ze voelen zich onveilig en plassen in bed. De kinderen zoeken tevergeefs naar bescherming. Ze kunnen zich niet aan het geweld onttrekken. Het is triest dat deze kinderen later geen arts of leraar willen worden. Ze spelen op straat het conflict na. De ene groep speelt soldaat en de andere groep speelt martelaar. Ze dragen de laatste op handen en doen zo na wat ze dagelijks voor hun ogen zien gebeuren. Een leek zal denken dat dit kinderen gewelddadig maakt, maar psychologen zeggen dat ze op deze manier de werkelijkheid verwerken.
In 2008 tijdens een zoveelste Israelische aanval op Gaza werd Iyad’s centrum voor geestelijke gezondheidszorg gebombardeerd. De verwoesting was enorm. Hij zag er slecht uit en vond het moeilijk om het puin onder ogen te zien. Hij leed toen al aan leukemie. Vijf jaar later overleed hij aan de gevolgen daarvan. Eyad’s nalatenschap en zijn fundamentele overtuiging over menselijkheid is een weerstand die nooit kan worden weggevaagd.
In oktober 2023 werd het huis van Raji Sourani gebombardeerd. Hij ontsnapte met zijn vrouw en zoon aan de dood. Hij zou Gaza nooit verlaten maar was ervan overtuigd dat hij het zwijgen zou zijn opgelegd. Raji was een tijd onzichtbaar. Tot ik de hoorzitting bekeek van het Internationaal Gerechtshof in een zaak voorgelegd door Zuid Afrika. En daar zat hij. Als onderdeel van de Zuidafrikaanse delegatie van advocaten.
Shownotes #8 - het huis
Twee maanden later, op 10 augustus 2001, werd het Orient House definitief gesloten. Niet alleen zijn de deuren verzegeld maar vrachtwagens vol onbetaalbare archieven en documenten zijn geroofd. Een verhaal over hoe Israël de geschiedenis gijzelt en de onstuitbare veerkracht van Palestijnen.
Audio bronnen en citaten: NOS Jaaroverzichten, RTL, VTM, AVRO’s Televizier, Het Capitool, UN Audiovisual Library, C-SPAN
Artikelen: The Looted Archives of the Orient House (IPS, 2001), Destruction and Pillage of Palestinian Cultural Heritage, archives and libraries since 1948 (Columbia University), Mourning the ‘Son of Jerusalem’: Faisal al-Husseini (Jerusalem Quarterly, 2001)
Documenten: Verslag van een algemeen overleg, Tweede Kamer (23 432, nr. 8, 24 januari 1996), Palestinian houses in West Jerusalem: Stories and Photographs (Zochrot, 2014)
Documentaires en films: A Reel War: Shalal (Karmit Mandel, 2021), The Great Book Robbery (Benny Brunner, 2012), Looted and Hidden - Palestinian Archives in Israel (Rona Sela, 2017), Kings and Extras: Digging for a Palestinian Image (Azza El-Hassan, 2004)
Script #8 - het huis
Het is de nacht van 10 augustus 2001. Voor het Orient House in Jeruzalem verzamelen Israelische troepen. Ze breken de poort open, vallen bewakers aan, bestormen hetn gebouw en nemen historische archieven en documenten in beslag.
Het gebouw diende als kantoor voor het Palestijnse onderhandelingsteam. en was het hoofdkwartier van Faisal Husseini. De Palestijnse vader van Jeruzalem was net ervoor onder grote belangstelling begraven in Jeruzalem.
Het is 1 juni 2001. Ik sta voor het Orient House in Jeruzalem. Het is een historische dag. Niet ver hiervandaan, in de wijk Wadi Joz, net buiten de muren van de Oude Stad, werd mijn vader geboren.
Mijn familie heeft net als vele Palestijnen, diepe wortels en een nauwe band met de stad. Mijn oma groeide hier op en haar familie heeft er lange tijd gewoond. Toen mijn vader in 1941 werd geboren, stond de stad op het punt van scheuring. Jeruzalem viel in die tijd onder het Britse Mandaat.
De geschiedenis van Jeruzalem is een verhaal van opeenvolgende machthebbers, van opstanden en gebroken beloften. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, op 11 december 1917, viel de stad in handen van Britse troepen. Tijdens het Ottomaanse tijdperk, was Jeruzalem uitgegroeid tot de grootste Palestijnse stad, het onbetwiste politieke en culturele centrum van Palestina.
De tegenstrijdige beloften van Engeland aan zowel Arabieren als zionistische joden en de opstand tegen het Britse Mandaat, dwong de Britten in 1948 tot het verlaten van het gebied.
In 1947 besloten de Verenigde Naties tot de verdeling van Palestina. Jeruzalem zou een corpus separatum worden, een afzonderlijk gebied met een speciale internationale status. Maar de werkelijkheid trok zich niets aan van internationale resoluties. Toen de gevechten uitbraken in Jeruzalem, was mijn vader zeven. De wijk waar zijn geboortehuis staat, Wadi Joz, werd al snel een toevluchtsoord voor verdreven Palestijnen uit de westelijke wijken van de stad. Je kunt die huizen nog steeds herkennen aan de siertegels uit de tegelfabriek van mijn overgrootvader in Nabloes.
In het noorden ligt de wijk Shaikh Jarrah. Hier voorkomen de Britten dat de gewapende Haganah de wijk zou binnenvallen. Tot op de dag van vandaag proberen kolonisten hier nog steeds huizen over te nemen en worden nog steeds Palestijnse huizen gesloopt.
Het is een zonnige dag, maar de lucht is geladen met politieke spanning. We wachten bij het Orient House op een begrafenisstoet. Faissal Husseini is overleden. Hij was een geliefd politicus, door velen gezien als een soort Palestijnse burgemeester van Jeruzalem. Op Yasser Arafat na was Faissal het belangrijkste lid van Arafat’s politieke beweging.
In 1991 speelde Husseini een sleutelrol bij het begin van het vredesproces in Madrid. Hij leidde het team op de vredesconferentie en werd, ondanks Israëlische bezwaren, een centrale figuur in die besprekingen. Het Orient House was zijn hoofdkwartier, het Palestijnse diplomatieke centrum van Jeruzalem – en daarmee een doorn in het oog van Israël. Faissal Husseini verzette zich tegen die bezetting. Een verzet dat hij betaalde met vele maanden in Israëlische gevangenissen en diverse periodes onder huisarrest. Hij was zo vaak opgepakt dat hij een kleine koffer bij zich hield met pyjama’s, ondergoed, slippers, scheergerei en een kleine inhalator voor zijn astma. In Israelische gevangenissen leerde hij vloeiend Hebreeuws.
Het statige Orient House is in 1897 gebouwd door een oud familielid van Faisal. Een rijke landeigenaar en ambtenaar Ismail Musa Husseini. De Duitse keizer Wilhelm gaf er tijdens een bezoek aan Jeruzalem in 1909 een theekransje. En de Ethiopische keizer Haile Selassie was er toen hij door de Italianen uit Abessinië was verdreven.
Het Orient House bood onderdak aan vluchtelingen en wezen en na de oorlog van 1948 diende het tijdelijk als hoofdkwartier voor de Verenigde Naties en werd daarna een van de eerste hotels in Oost-Jeruzalem. Na de bezetting in 1967 ging het hotel dicht.
Vandaag is het een centrum van rouw. De kist met het lichaam van Husseini is onderweg van Ramallah naar Jeruzalem. De Palestijnse Autoriteit heeft een nationale rouwperiode afgekondigd. In Ramallah verzamelen honderden Palestijnen om hun respect te betuigen aan Husseini, terwijl Arafat’s veiligheidstroepen zijn kist, versierd met een Palestijnse vlag en bloemen, klaarmaken voor de stoet naar Jeruzalem.
Hier, bij het Orient House, zal een condoleance worden gehouden, Daarna zal Husseini begraven worden in de oude stad van Jeruzalem, vlak bij de Aqsa Moskee in een graf naast zijn vader, de verzetsheld Abdel Qader Husseini, die in 1948 sneuvelde tijdens de slag om Al Qastel.
De tocht van Ramallah naar Jeruzalem is beladen. Tienduizenden Palestijnen zijn op de been en trotseren Israëlische afzettingen om de stoet te begeleiden. Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever worden al maanden toegang ontzegd tot Jeruzalem. In 1967 viel Israël de oostelijke wijken van Jeruzalem aan en annexeerde de rest van de stad. Dit in schending van het internationaal recht en ontelbare VN resoluties.
Op 10 juni 1967, amper vier uur nadat de wapenstilstand van de Zesdaagse oorlog was ondertekend, rolden Israelische bulldozers door de Zionpoort en werd de historische Mughrabi buurt dat grenst aan de klaagmuur in twee dagen met de grond gelijk gemaakt.
Bewoners kregen via luidsprekers de opdracht hun huizen te verlaten. Persoonlijke bezittingen werden begraven en vermalen tot puin. Bussen stonden bij de Damascuspoort klaar om de verdreven bewoners naar Jordanie te deporteren. Tegenwoordig zullen maar weinig bezoekers van het grote plein voor de klaagmuur zich bewust zijn van deze geschiedenis.
Met de volledige bezetting van Jeruzalem, onteigening van land en de bouw van nederzettingen, annexeerde Israël de facto de gehele stad. Dit beleid was in strijd met het internationaal recht en werd herhaaldelijk bevestigd in internationale resoluties. Na de Golfoorlog werd Faissal Husseini benoemd tot hoofd van het Palestijnse onderhandelingsteam bij de vredesconferentie in Madrid. Ondanks Israëlische bezwaren tegen zijn aanwezigheid, speelde hij een cruciale rol in de besprekingen die volgden.
Het Orient House was méér dan een gebouw. Het was de belichaming van de Palestijnse aanwezigheid in Jeruzalem. Het was de plek waar Palestijnen samenkwamen, waar plannen werden gesmeed voor de toekomst van Oost-Jeruzalem, en waar de Palestijnse vlag als enige in de stad openlijk wapperde. De Israëlische regering zag Jeruzalem als zijn hoofdstad en beschouwde elk officieel bezoek aan Husseini in dit huis als een ondermijning van die claim. Desondanks had Shimon Peres tijdens de onderhandelingen over de Oslo Akkoorden in 1993 garanties gegeven dat Palestijnse instituties in Jeruzalem ongemoeid zouden blijven.
Bij de onderhandelingen en de latere akkoorden werden de status van Jeruzalem, net zoals nederzettingen, grenzen en vluchtelingen buiten beschouwing gelaten en doorgeschoven naar de toekomst. Dit gaf Israël de vrije hand: de bouw van nederzettingen ging onverminderd door, land werd onteigend en Palestijnse politieke activiteiten in de stad werden verboden.
In 1983 richtte Faissal Husseini een wetenschappelijk instituut op in het Orient House en bracht er Palestijnse archieven in onder. De bibliotheek huisvestte meer dan 17 duizend boeken, duizenden documenten en een audioarchief met daarin onder andere unieke interviews met ooggetuigen van de opstand van 1936.
Toen Husseini in 1987 zijn huisarrest net was opgeheven, sloegen de Israëlische troepen toe. Ze drongen het Orient House binnen en sloten het gebouw. Husseini werd opnieuw gevangen gezet. Ze hadden in zijn kantoor een document gevonden over de oprichting van de Palestijnse staat in 1988. De volksopstand was toen in volle gang. Het Orient House bleef gesloten tot na de vredesconferentie in Madrid.
In 1991 werd Faissal Husseini benoemd in de commissie die de Madrid-conferentie moest voorbereiden. Israël weigerde te praten met Palestijnen uit de diaspora én uit Jeruzalem, en verbood zijn deelname. Desondanks groeide Husseini uit tot een van de belangrijkste onderhandelaars in het vredesproces.
Het Orient House werd het de facto politieke adres in de bezette gebieden. Het ontving buitenlandse bezoekers, het huisvestte vergaderingen van het Palestijnse onderhandelingsteam. De stoet is vertrokken.
Onderweg stopt de menigte met de kist voor Faisal’s huis in Shuafat. Een noordelijke wijk in Oost Jeruzalem. In deze buurt woonde tot haar dood een van mijn van oma’s zussen. De spanning in de stad is voelbaar. Het Israëlische leger en de politie zijn in de hoogste staat van paraatheid. Geruchten gonzen: zal de begrafenisstoet wel toestemming krijgen om door de Oude Stad te gaan? Het Orient House was een symbool van internationaal verzet tegen de bezetting. Een plek waar de Palestijnse stem in Jeruzalem kon worden gehoord.
In 1995 koos minister van Buitenlandse Zaken, Hans van Mierlo, ervoor om het Orient House te mijden. Tijdens een staatsbezoek vond een ontmoeting met Husseini daarom plaats in het huis van de Nederlandse vertegenwoordiger. De druk van Israël bleek te groot. Later veranderde dit. Bij een volgend bezoek besloot Van Mierlo zijn belofte aan Husseini na te komen. Hij zou het gebouw dit keer wel bezoeken.
Van Mierlo’s besluit leidde tot een diplomatieke storm. Zijn Europese collega’s drongen erop aan het Europese beleid om Orient House wel te bezoeken niet te doorbreken. En in Den Haag werd het onrustig. De minister moest zijn kerstvakantie onderbreken voor een speciaal algemeen overleg van de Tweede Kamer. Het is woensdag 10 januari.
CDA Kamerlid Jaap de Hoop Scheffer vond dat Nederland niet tegen de schenen van Israël moest schoppen maar Van Mierlo wees hem er echter fijntjes op dat CDA bewindslieden als Pieter Kooijmans en Hans van den Broek eerder al eens op het bordes van het Orient House hadden gestaan.
Op 18 januari 1996 bracht Van Mierlo, ondanks alle protesten, zijn bezoek aan het Orient House en sprak hij anderhalf uur met Husseini. Faissal merkte toen laconiek op dat de Nederlandse kritiek vooral had gezorgd voor méér aandacht.
Het Orient House bleef een doorn in het oog van Israël. De dreigementen escaleerden. Wegen werden geblokkeerd om bezoeken van buitenlandse ministers te verhinderen. En Shimon Peres dreigde zelfs met de sluiting van het gebouw. Europese ministers besloten daarop het gebouw tijdelijk te mijden.
Duizenden mensen staan voor het Orient House. Er wapperen Palestijnse vlaggen. Faissal Husseini’s portret prijkt aan de gevel. Langs de poort van het binnenterrein houden jongeren de wacht. We condoleren Faissal’s familie. En dan het nieuws dat we hoopten te horen: het leger heeft de kist en de menigte laten passeren.
Voor veel Palestijnen is dit de eerste keer sinds jaren dat ze naar Jeruzalem kunnen reizen. Sommigen zullen van de gelegenheid gebruik maken om familie te bezoeken, anderen zijn hier enkel voor Faissal. We nemen een andere route. We willen eerder bij de Damascuspoort zijn, om de stoet te zien aankomen.
Een paar maanden geleden werd Ariel Sharon gekozen tot premier. Het was Sharon die met zijn provocerende bezoek aan het heilige gebied rond de Aqsa Moskee in september 2000 de vonk gaf aan een nieuwe volksopstand. De Tweede Intifada. Op de muur van de Oude Stad, vlakbij de Damascuspoort, zwaait een jongen met de vlag. Er is geen sprake van stilte of droefheid. De mensen lijken opgewekt, trots. Het lijkt wel een overwinningsoptocht. De enige begrafenis in Jeruzalem die meer mensen op de been bracht, was die van Faissal’s vader in 1948.
Het duurt uren. De stoet is te groot, te massaal. En dan, eindelijk, arriveert de kist. Het onofficiele Palestijnse volkslied, Mowtani, klinkt. De tekst van het lied is geschreven door de bekende dichter uit Nabloes, Ibrahim Touqan. Het lied spreekt over de liefde voor het vaderland en de wil tot opoffering.
Tientallen handen dragen de kist, waarover traditiegetrouw een grote Palestijnse vlag is gedrapeerd. Sommigen gooien bloemen, anderen proberen de kist aan te raken. Een laatste, fysiek contact met de man die hun stem was. Als de kist naar buiten wordt gedragen, lopen we met de stroom mee de straat op. Langzaam beweegt de menigte zich richting de Oude Stad. Het is nog steeds verboden, je kunt voor het dragen van de Palestijnse vlag worden opgepakt. Maar ze wapperen overal, ze zijn niet te stoppen.
In mei 1996 verloor Shimon Peres de verkiezingen van Benjamin Netanyahu. De nieuwe regering beloofde het vredesproces voort te zetten maar kondigde al snel aan nieuwe nederzettingen te bouwen.
Op 18 maart 1997 gaf de regering van Benjamin Netanyahu groen licht voor de bouw van een nieuwe nederzetting op een heuvel in Jeruzalem, Jabal Abu Gnaim. Met de bouw van deze nederzetting zal Jeruzalem volledig omringd zijn door nederzettingen. Op de heuvel met pijnbomen komen bijna 7 duizend woningen exclusief voor Israelische bewoners. Palestijnen zijn woedend. De nieuwe premier, Benjamin Netanyahu, beloofde ook het Orient House te sluiten. Hij besloot dat hij geen ministers zou ontmoeten die het gebouw wilden bezoeken.
Tijdens een bezoek aan Nederland liet hij nogmaals blijken hoe hij naar het Europese beleid aankijkt. Gesprekken met de Palestijnse Autoriteit werden hervat, maar de onderhandelingen verliepen slecht door de voortgaande bouw van nederzettingen.
In de aanloop naar nieuwe verkiezingen in 1999 probeerde Netanyahu het Orient House opnieuw te sluiten. Verschillende kantoren werden binnengevallen, en Israël eiste dat de activiteiten werden gestaakt. Faissal Husseini kreeg te horen dat het Orient House definitief werd gesloten. Critici zagen dit als een politieke zet om stemmen te winnen. Netanyahu liep immers achter op zijn rivaal Ehud Barak. Het Israëlische Hooggerechtshof stelde de sluiting echter uit.
Op 17 mei 1999 won Barak met een grote meerderheid de verkiezingen en kwam met Husseini overeen dat het Orient House open kon blijven op voorwaarde dat politieke activiteiten zouden worden beperkt. Tegen die tijd was het gebouw niet meer dan een symbool. Na de Oslo-akkoorden werd Faisal Husseini door Arafat gemarginaliseerd. Arafat zag hem als een concurrent en eiste dat buitenlandse delegaties die Husseini ontving in het Orient House, naar hem toe moesten komen. Ook Israël voerde de druk verder op om het Orient House te mijden.
We lopen de Spaanse trappen af naar het plein voor de Damascuspoort. Dit is het hart van Oost-Jeruzalem, waar het Palestijnse openbaar vervoer aankomt en vertrekt, de verbinding met Ramallah, Nabloes, Jenin, Bethlehem, Hebron. Midden op het plein staat een grote lantaarnpaal. Een jongen klimt, een Palestijnse vlag in zijn hand. Bovenin rukt hij, hand voor hand, de beveiligingscamera’s los. Ze vallen op de grond. De bezetter kan niet meer meekijken.
De stoet nadert het plein. Een enorme vlag wordt onder de Damascuspoort gedragen. Langzaam schuift de mensenmassa, achter de kist aan, de Oude Stad binnen. Onderweg naar de Aqsa Moskee komen we langs de Bloemenpoort. Hier hebben ultraorthodoxe kolonisten, geholpen door de Israëlische regering en de gemeenteraad, aan het begin van de jaren zeventig al een groot aantal huizen in bezit genomen.
Tot op de dag van vandaag worden Palestijnen uit de Oude Stad verdreven om kolonisten te kunnen huisvesten. Het is een tactiek die we terugzien in andere Palestijnse wijken, waar kolonisten en het Israëlische leger straten en buurten terroriseren. De begrafenis van Faissal Husseini is voorbij. Zijn strijd is ten einde. Maar de strijd om zijn erfgoed, en dat van zijn volk, staat op het punt te beginnen. In februari 2001 werd Ehud Barak met een grote meerderheid verslagen door Ariel Sharon. Als vergelding voor een aanslag, en goed en wel nadat Faissal Husseini begraven was, besluit Ariel Sharon dat de tijd rijp was om het Orient House permanent te sluiten.
Het is de nacht van 10 augustus 2001. Klokslag 2 uur. Het Orient House is omsingeld en Israëlische speciale eenheden bestormen het gebouw.
Op bevel van toenmalig premier Ariel Sharon worden alle computers, bestanden en vertrouwelijke archieven in beslag genomen. Vrachtwagens vol cruciale documentatie over de onderhandelingspositie van Jeruzalem verdwijnen naar een onbekende bestemming.
Het bevel voor de sluiting was tijdelijk, voor zes maanden. Maar in de daaropvolgende jaren werd het bevel, als een wrede bureaucratische tik, steeds opnieuw verlengd.
Tot op de dag van vandaag blijft het Orient House, dat trotse, historische gebouw gesloten. De vernietiging van Palestijns erfggoed staat niet op zichzelf. Het is de voortdurende uitwissing van het Palestijnse bestaan. Dit begon al in de vorige eeuw.
Tijdens de catastrofe van 1948, de Nakba, werden culturele en historische schatten en archieven in beslag genomen uit diverse Palestijnse instituten, privéwoningen en studio’s. Schattingen suggereren dat toen al 30.000 boeken en manuscripten werden geplunderd uit Palestijnse huizen.
Terwijl georganiseerde militaire eenheden archieven in beslag namen, namen individuen en soldaten ook deel aan willekeurige plunderingen van antiekwinkels en fotostudio's. Dit materiaal, buitgemaakt uit woningen of soms van dode of gevangen Palestijnen, vond uiteindelijk zijn weg naar officiële, veelal militaire, Israëlische archieven. Deze plunderingen werden voortgezet in de decennia die volgden. Tijdens de Israëlische invasie van Libanon in 1982 plunderde en confisqueerde Israël de bibliotheek en archieven van de Palestine Liberation Organization (PLO) in Beiroet. De Israëlische strijdkrachten namen hier het archief van Palestijnse films en foto's in beslag. Ongeveer 1200 films werden geconfisqueerd. De in beslag genomen materialen worden ondergebracht in militaire archieven. Ze worden gezien als archiefmateriaal van het Israëlische leger. Hierdoor worden ze onderworpen aan Israëlische militaire wetten en regels, waardoor de toegang ernstig wordt beperkt. De geschiedenis wordt gegijzeld.
De oorlog tegen het Palestijnse erfgoed bereikte een ongekende intensiteit tijdens de recente bombardementen op Gaza. De opzettelijke vernietiging van cultureel erfgoed wordt erkend als een oorlogsmisdaad. Zo werd het centraal archief van Gaza-stad volledig verwoest. Ook de historische Omari-moskee, met daarin een belangrijke bibliotheek uit de 7e eeuw met zeldzame boeken, werd vernietigd. Zelfs universiteitsbibliotheken en musea werden door het Israëlische leger geplunderd en verwoest.
De aanhoudende vernietiging, plundering en inbeslagname van archieven ontneemt Palestijnen de mogelijkheid om hun eigen geschiedenis te schrijven. Palestijnen worden gedwongen hun verleden te zoeken in de archieven van de bezetter of andere koloniale machten. Deze machthebbers censureren en classificeren het, en houden daarmee de geschiedenis gevangen.
De deuren van het Orient House zijn tot op de dag van vandaag gesloten gebleven. De onbetaalbare inhoud is door Israël vernietigd of geconfisqueerd. Maar waar het voor staat – het symbool van het Palestijnse politieke leven in Jeruzalem, van het Palestijnse volharden in de stad, tegen alle pogingen om het uit te wissen – blijft even krachtig als altijd.
Op de terugweg komt de stoet langs het huis dat Sharon een paar dagen na het uitbreken van de vorige intifada heeft geannexeerd. Het staat midden in de moslimwijk. Hoewel hij er zelf niet woont, staat er altijd een groep soldaten voor de deur. Er hangt een grote Israëlische vlag aan de gevel. Een provocatie om Palestijnen eraan te herinneren dat ook deze wijk door Israël bezet is. Een jongen loopt langs. Hij laat een verbrand stukje doek zien. Ik kijk naar zijn souvenir en herken nog net een streep blauw en wit. Twee uur was Jeruzalem van de Palestijnen. Even was het alsof de bezetting voorbij was. De jongen legt het verbrande lapje stof op tafel. Nu pas zie ik wat het is. Het is de vlag van Sharon.
Shownotes #9 - het beleg
In Bethlehem zoeken Palestijnen hun toevlucht achter de dikke muren van de Geboortekerk. Zevenendertig dagen lang is de kerk het epicentrum.
Audio bronnen en citaten: NOS, BRT, VTM, NOVA, Zembla, UN Audiovisual Library, C-SPAN
Artikelen: Interregnum Rema Hammami (MERIP, 2002); When the Birds Stopped Singing(Shehadeh, 2002)
Documenten: Shielded from scrutiny: IDF violations in Jenin and Nablus (Amnesty, 2002), Jenin: IDF Military Operations (Human Rights Watch, 2002), Human Shield (B’Tselem, 2002), Medicine under attack (PHR, 2002)
Documentaires en films: The Siege of Bethlehem (PBS, 2002), Jenin, Jenin (Bakri, 2002), Checkpoint (Yoav Shamir, 2003)
Script #9 - het beleg
Het is het voorjaar van 2002. Op kantoor van de mensenrechten organisatie waar ik werkte hadden meldingen van schendingen een ritme gekregen. Het was een tijd waarin ik getuige was van een escalatie die maar weinigen voor mogelijk hielden.
De geruchten waren er al. Je merkte het in de straten van Ramallah en in de steegjes van de oude stad in Nabloes. Een grote aanval was op komst maar in Palestina was men gewend geraakt aan de dagelijkse, bijna rituele invasies van het Israelische leger. Met een cameraploeg van Zembla rijden we naar Kalandia. Het gebied is afgesloten.
Ook bezoeken we de plek waar een aantal huizen zijn vernietigd.
Onderweg zien we een groep Palestijnse arbeiders langs de weg. Ze staan in een rij. Een voor een moet een van hen naar voren lopen en wordt z’n identiteitskaart gecontroleerd. Ze worden onder schot gehouden door het leger.
Ook bezoeken we de plek waar een aantal huizen zijn vernietigd. In Ramallah, in de schaduw van de Muqata—het hoofdkwartier van Yasser Arafat—woonde mijn nichtje Ghadir. Ze woont sinds een half jaar met vriendinnen in Ramallah en werkt als docent aan de Al Quds Universiteit. Omdat het moeilijk reizen is tussen Ramallah en Nabloes, gaat ze niet vaak naar haar ouders. Onderweg moet ze verschillende keren uit de taxi stappen om langs de militaire controleposten te lopen. Haar dagelijks leven was al een uitputtingsslag. Haar Westbank ID, een oranje kaart die zegt dat ze uit Nabloes komt, maakte elke reis naar haar werk een gok. De wachttijd bij de checkpoints hangt af van de gemoedstoestand van de soldaten. Vaak wordt Ghadir teruggestuurd, omdat ze een oranje identiteitskaart heeft die aangeeft dat ze uit Nabloes komt.
Het Israelische leger heeft flink huisgehouden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Balata bij Nabloes, Dheishe in de buurt van Bethlehem en Tulkarem. De inzet was ongekend in omvang met gevechtshelikopters en tanks. Vanuit het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York klonk bezorgdheid.
Ik maakte me zorgen over de vaak gerichte aanvallen op medische hulpverleners. In de afgelopen weken waren een groot aantal Palestijnse artsen en ander medisch personeel gedood. Ambulances werden niet toegelaten en het hoofd van de Rode Halve Maan werd gedood toen zijn ambulance werd geraakt door een tankgranaat.
In de vluchtelingenkampen werden honderden Palestijnen opgepakt. Mannen tussen de zestien en veertig jaar moesten zich melden bij een school. Daar werden ze onder schot gehouden, geboeid, en vervolgens afgevoerd. Enkele dagen later, wanneer het ergste van het geweld enigszins is geluwd, arriveert een inspecteur van de VN. Peter Hansen, de Commissaris-Generaal van UNRWA. Wat hij ziet, schokt zelfs een man die gewend is aan het lijden in de kampen. Sommigen zagen hierin de sabotage van een Saoedisch vredesinitiatief.
Met een plan voor vrede probeerde Saoedi-Arabië de Tweede Intifada, een einde te maken aan de opstand die sinds september 2000 gaande was. De Arabische landen zouden Israel volledig erkennen en normale betrekkingen aangaan in ruil voor de volledige terugtrekking van het Israelische leger uit de door Israel bezette gebieden en een rechtvaardige oplossing voor Palestijnse vluchtelingen.
Eind maart zouden de leiders van deze landen samen komen voor hun jaarlijkse top, dit keer in Beiroet. Ondanks de aanvallen op de kampen in Jenin en Balata bij Nabloes, keuren de landen het plan unaniem goed. Maar de klok tikte.
Op exact dezelfde dag dat de Arabische Liga het vredesinitiatief in Beiroet bekrachtigde, sloeg het geweld toe. Met de drang naar een reactie werd het kruidvat verder gevuld en van het Arabische initiatief kwam weinig terecht.
Op 27 maart 2002. Terwijl Arabische diplomaten arriveren voor hun top in Beiroet blaast een Palestijn zichzelf op in het Park Hotel in Netanya.
Deze aanslag verschafte premier Sharon precies wat hij nodig had. Op het moment dat het Saoedische vredesplan terrein won en de Arabische Liga het aannam, lanceerde Israël zijn grootschalige aanval. Al voor de bomaanslag in het Park Hotel in Netanya, berichtten Israëlische kranten dat militaire planners een grootschalige aanval voorbereiden op Palestijnse steden, dorpen en vluchtelingenkampen. Deze invasie zou groter zijn dan alle vorige. De explosie in het Park Hotel op 27 maart zette de oorlogsmachine opnieuw in gang.
Op de dag van de invasie werd m’n nichtjes werkelijkheid gereduceerd tot de vier muren van haar appartement. Op de dag van de inval in Ramallah belde Ghadir me al vroeg op. Ik was al op kantoor. Ze zag zes tanks in de straat. Haar stem trilde aan de andere kant van de lijn. Zes tanks die door de straat denderden, blindelings. Een geparkeerde auto werd verpletterd, alsof het niets was. In een ander deel van Ramallah was ook mijn tante Fatima al vroeg wakker. De stad werd onmiddellijk een afgesloten militair gebied.
In zijn boek ‘When the Birds Stopped Singing’ beschrijft Raja Shehadeh het leven in Ramallah tijdens de invasies.
Elektriciteit uit. Water afgesloten. Het leger viel ook de kantoren van persbureaus en televisiezenders binnen. Radiostations gingen uit de lucht en zelfs de Commissie ter Bescherming van Journalisten werd niet gespaard. Ghadir moest haar telefoonbatterij sparen. De angst was niet alleen voor haarzelf, maar voor haar ouders in Nabloes, waar de situatie nog erger zou worden.
Tijdens de operatie riep het leger via luidsprekers alle mannen tussen 16 en 50 jaar op om zich te melden voor ondervraging. Honderden mannen waren al vóór de inval opgepakt en naar de Israëlische legerbasis Ofer getransporteerd. De Muqata’a, het Arafat complex, het hoofdkwartier van de Palestijnse Autoriteit in Ramallah, werd omsingeld en zwaar beschoten. Tanks beukten gaten in de muren en haalden hekken neer.
Ook in Bethlehem, ten zuiden van Jeruzalem, viel het Israelische leger binnen en de Geboortekerk werd het epicentrum. 37 dagen lang werd dit het toneel van de bezetting en het verzet daartegen.
Terwijl tanks en gepantserde voertuigen de stad binnen rolden, werd een uitgaansverbod afgekondigd. Zeven Palestijnen werden gedood. Priesters en nonnen raakten gewond. In de kerk hadden Palestijnse strijders en inwoners, waaronder vrouwen en kinderen, hadden hun toevlucht gezocht in de kerk. En het complex werd omsingeld.
Op 3 april trok het Israelische leger de stad Jenin en het gelijknamige vluchtelingenkamp binnen. Daar, op een klein, overbevolkt gebied waar zo’n 14 duizend Palestijnen woonden, ging het licht uit. Ook die plek werd uitgeroepen tot speciaal gesloten militair gebied.
Hulpverleners, medisch personeel, journalisten. Alle internationale medewerkers. Niemand kwam binnen - ook onze medewerkers niet. Geen pottenkijkers wanneer schendingen worden begaan. Twaalf lange dagen van intense gevechten en verwoesting in het kamp was geen enkele onafhankelijke waarnemer aanwezig.
Niemand van buiten kon bevestigen wat zich in dat kleine, afgesloten kamp, afspeelde.
Het Israelische leger blokkeerde de doorgang van ambulances en medisch personeel. Zieken en gewonden zaten opgesloten. We kregen wel de noodkreten te horen. Een 58-jarige vrouw stierf aan haar verwondingen nadat het leger herhaaldelijk weigerde een ambulance toe te laten terwijl het ziekenhuis slechts een paar honderd meter verderop was. Ambulances van de Rode Halve Maan werden onder vuur genomen. Een verpleegster, duidelijk herkenbaar aan haar uniform, werd gedood terwijl ze een gewonde inwoner probeerde te helpen.
Zelfs nadat het zwaarste geweld was geluwd, bleven de Verenigde Naties en het Rode Kruis dagenlang onderhandelen. Ze smeekten om toegang. Zonder resultaat.
We kregen de stellige indruk dat die onwil om toegang te verlenen - zelfs nadat de meeste gewapende Palestijnen zich hadden overgegeven - te maken had met iets anders. Het Israelische leger had een aantal Israelische journalisten onder militaire begeleiding toegang verleend maar toen de VN vroeg om vergelijkbare toegang werd dit geweigerd.
In Ramallah was de stroom even terug. Ghadir kon haar telefoon opladen maar de paniek was voelbaar in haar stem. Ze zei dat vijftien jongens haar gebouw waren binnen gevlucht. Haar buurman had gevraagd of ze onderdak kon bieden aan twee van hen, omdat het te gevaarlijk was als de groep in één appartement zou blijven. Ze stelde voor dat ze hen als familieleden zou beschouwen. Ze had geen keuze. Ze zette thee voor de doodsbange jongens. En vanuit haar keukenraam zag ze hoe een peloton Israëlische soldaten het huis naast hen binnenviel en twee jongens arresteerde. Voor het gebouw tegenover hen blies het leger vier Palestijnse politieauto’s op.
De invasies in Palestijnse steden in 2002 waren tot dan toe het grootste Israëlische offensief sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967. De steden werden overreden door tanks en de beschietingen waren non-stop. En dan een adempauze. Het uitgaansverbod werd voor slechts twee uur opgeheven. Ghadir moest brood halen voor haar 'huisgenoten'. Wat ze op straat zag, was de rauwe, fysieke vernietiging. Gebouwen beschadigd, auto's vernield. Overal de afdrukken van rupsbanden. Op elke hoek een tank.
Ghadir was te laat. Het uitgaansverbod was nog niet ingegaan maar soldaten richtten hun wapens op haar. Ze gilde dat ze hier woonde. En dat het druk was bij de bakker. Ze moest stil blijven staan, met de automatische wapens op haar gericht. Totdat het leger klaar was met hun werk: het arresteren van een Palestijnse brandweerman die het had gewaagd een gebouw te blussen tijdens het uitgaansverbod.
Op 15 april werd Marwan Barghouti door het Israelische leger opgepakt. Op dat moment een van de politieke leiders van het verzet. Palestijnen zagen in hem een nieuwe generatie en potentieel de opvolger van Yasser Arafat. Hij kwam uit een dorpje in de buurt van Ramallah en was in zijn jonge jaren actief in de studenten protesten. Vlak voor het uitbreken van de volksopstand in 1987 werd hij gedeporteerd.
Met de Oslo akkoorden keerde hij terug naar Ramallah. Hij geloofde in het vredesproces en werd in 1996 gekozen in de kersverse Palestijnse Wetgevende Raad. Maar door de voortdurende bezetting en de continue bouw van nederzettingen raakte hij gedesillusioneerd. Met het uitbreken van de Tweede Intifada in september 2000 leidde hij binnen zijn politieke beweging het verzet. Een paar maanden voor zijn arrestatie schreef hij een veel gelezen opiniestuk in de Washington Post. Hij was van mening dat Israël pas veiligheid zal hebben na het einde van de bezetting. En hij vond dat bij afwezigheid van bescherming van buitenaf, Palestijnen zichzelf moesten kunnen verdedigen.
Voor Israël was hij meteen een terrorist en beschuldigde hem van aanslagen. Tijdens zijn verhoor werd hij gemarteld en zijn ondervragers dreigden zijn zoon te doden wat ze bij hem al eerder hadden geprobeerd toen hij ternauwernood ontsnapte aan een aanslag op zijn leven toen zijn auto werd bestookt door een helicopter.
Zijn rechtsgang werd een politiek proces.
De man die een brug kon slaan, geloofde in het vredesproces en had gepleit voor een tweestatenoplossing werd nu terechtgesteld voor zijn strijd. Hij is nog altijd even populair onder Palestijnen en wordt inmiddels al bijna net zo lang politiek gevangen gehouden als Nelson Mandela ooit.
In Nabloes werkte m’n oude buurtgenoot Ala aan de Najah Universiteit. Hij woont daar met z’n familie. Op de dag dat het leger Nabloes binnenviel, stopten drie tanks voor zijn huis. Het huis van zijn familie werd een militaire basis.
Zeventien bewoners. De familie van Ala. Ze werden in één kamer gedreven. Ze mochten niet bewegen, niet praten. Twee soldaten hielden hen onder schot. De rest doorzocht en nam het huis over. Vanuit het hoger gelegen Ras al-Ain, de buurt waar hun huis staat, beschoten de soldaten de oude stad van Nabloes, waar hevig verzet was. De vloer trilde. Ze hadden geen stroom, en het was koud. Ala’s zwangere zus mocht alleen naar het toilet onder begeleiding van een soldaat. Ala’s vader was net herstellende van een hartaanval. Hij kon zijn medicijnen niet vinden.
Op een avond namen de soldaten Ala’s broertje mee naar de oude stad. Toen ze het gebouw uitliepen begon hij te schreeuwen. De soldaten die hem vasthielden, sloegen op hem in terwijl ze hem voor zich uit duwden. Ze schoten met een wapen dat ze op zijn schouder lieten rusten. Hij viel flauw en werd afgeranseld. Een paar uur later brachten ze hem terug. Zijn gezicht zat onder het bloed. Fysiek leefde hij maar mentaal was hij begroken.
Het familiehuis van Ala werd een detentiecentrum. Opgepakte Palestijnen werden door het leger naar het huis gebracht voor verhoor en mishandelingen. De familie hoorde alles. Ala had ze gezien, in het trappenhuis, de gevangen jongens, geblinddoekt, handen op hun rug, een zwarte zak over hun hoofd. Eén jongen weigerde te antwoorden. En toen: een schot. De jongen was in zijn buik geraakt. Even later kwamen de soldaten de woonkamer in. Ze moesten de jongen buiten in een pantservoertuig leggen. Ze hebben hem nooit meer teruggezien. Toen de soldaten vertrokken was het appartement geplunderd. Computers, telefoons, goud. Weg. En een muur van Ala’s kamer, vol met herinneringen, foto’s en gedichten zat nu vol met kogelgaten.
Intussen werd in de Geboortekerk in Bethlehem de situatie onhoudbaar. Op 8 april braken gevechten uit rond de kerk. Er ontstond brand. Een Palestijnse politieagent werd doodgeschoten door een sluipschutter toen hij de vlammen probeerde te blussen. Twee dagen later raakte een Armeense priester ernstig gewond door schoten. En op 29 april schoot een sluipschutter opnieuw een Palestijn dood binnen de omtrek van de kerk. De boodschap van de belegeraars was onmiskenbaar: niemand was veilig.
Drie weken na de start trok het Israëlische leger zich terug. Ghadir, vastbesloten om naar Nabloes te gaan, waagde de reis. De controleposten rond Ramallah waren weg. Een vreemd gevoel van optimisme. Maar bij Huwara, het centrale checkpoint naar Nabloes, verdween dat gevoel. Uiteindelijk moesten zij en haar huisgenoot worden afgezet in het dorpje Burin. VBier uur te voet klommen ze naar Nabloes. Mijn familie kon hun ogen niet geloven toen ze haar zag. De volgende dag bezocht ze de oude stad van Nabloes. Ze kon niet stoppen met huilen toen ze de verwoeste eeuwenoude binnenstad zag. Dertig eeuwen beschaving verwoest in een paar dagen. In Bethlehem eindigde de patstelling in de Kerk uiteindelijk op 7 mei met de deportatie van 30 Palestijnen. Drie dagen later trok het Israelische leger zich terug uit de stad. Het beleg duurde daar drie weken langer.