niet iedereen kan stenen gooien

In de podcast serie Niet iedereen kan stenen gooien, neemt Arjan El Fassed je mee op zijn zoektocht naar de bewogen geschiedenis van zijn familie in Palestina. Aan de hand van verhalen van zijn Palestijnse familie wordt de geschiedenis op een persoonlijke manier verteld.



Afleveringen: #1 de aanslag | #2 de opstand | #3 de oorlog | #4 de catastrofe | #5 de tunnel | #6 de invasie | #7 de strook | #8 het huis | #9 het beleg
Deze podcast eenvoudig delen kan via deze link of direct in je favoriete podcast app.

Shownotes #9 - het beleg

niet iedereen kan stenen gooien - gaza
In deze nieuwe aflevering gaan we terug naar het voorjaar van 2002. Palestijnse steden werden belegerd met tanks en helikopters. In Ramallah en Nabloes probeert mijn familie te overleven in de rauwe werkelijkheid van het beleg.

In Bethlehem zoeken Palestijnen hun toevlucht achter de dikke muren van de Geboortekerk. Zevenendertig dagen lang is de kerk het epicentrum.


Audio bronnen en citaten: NOS, BRT, VTM, NOVA, Zembla, UN Audiovisual Library, C-SPAN

Artikelen: Interregnum Rema Hammami (MERIP, 2002); When the Birds Stopped Singing(Shehadeh, 2002)

Documenten: Shielded from scrutiny: IDF violations in Jenin and Nablus (Amnesty, 2002), Jenin: IDF Military Operations (Human Rights Watch, 2002), Human Shield (B’Tselem, 2002), Medicine under attack (PHR, 2002)

Documentaires en films: The Siege of Bethlehem (PBS, 2002), Jenin, Jenin (Bakri, 2002), Checkpoint (Yoav Shamir, 2003)


Deze podcast eenvoudig delen kan via deze link of direct in je favoriete podcast app.

Script #9 - het beleg


Het is het voorjaar van 2002. Op kantoor van de mensenrechten organisatie waar ik werkte hadden meldingen van schendingen een ritme gekregen. Het was een tijd waarin ik getuige was van een escalatie die maar weinigen voor mogelijk hielden.

De geruchten waren er al. Je merkte het in de straten van Ramallah en in de steegjes van de oude stad in Nabloes. Een grote aanval was op komst maar in Palestina was men gewend geraakt aan de dagelijkse, bijna rituele invasies van het Israelische leger. Met een cameraploeg van Zembla rijden we naar Kalandia. Het gebied is afgesloten.


Ook bezoeken we de plek waar een aantal huizen zijn vernietigd.

Onderweg zien we een groep Palestijnse arbeiders langs de weg. Ze staan in een rij. Een voor een moet een van hen naar voren lopen en wordt z’n identiteitskaart gecontroleerd. Ze worden onder schot gehouden door het leger.

Ook bezoeken we de plek waar een aantal huizen zijn vernietigd. In Ramallah, in de schaduw van de Muqata—het hoofdkwartier van Yasser Arafat—woonde mijn nichtje Ghadir. Ze woont sinds een half jaar met vriendinnen in Ramallah en werkt als docent aan de Al Quds Universiteit. Omdat het moeilijk reizen is tussen Ramallah en Nabloes, gaat ze niet vaak naar haar ouders. Onderweg moet ze verschillende keren uit de taxi stappen om langs de militaire controleposten te lopen. Haar dagelijks leven was al een uitputtingsslag. Haar Westbank ID, een oranje kaart die zegt dat ze uit Nabloes komt, maakte elke reis naar haar werk een gok. De wachttijd bij de checkpoints hangt af van de gemoedstoestand van de soldaten. Vaak wordt Ghadir teruggestuurd, omdat ze een oranje identiteitskaart heeft die aangeeft dat ze uit Nabloes komt.

Het Israelische leger heeft flink huisgehouden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Balata bij Nabloes, Dheishe in de buurt van Bethlehem en Tulkarem. De inzet was ongekend in omvang met gevechtshelikopters en tanks. Vanuit het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York klonk bezorgdheid.

Ik maakte me zorgen over de vaak gerichte aanvallen op medische hulpverleners. In de afgelopen weken waren een groot aantal Palestijnse artsen en ander medisch personeel gedood. Ambulances werden niet toegelaten en het hoofd van de Rode Halve Maan werd gedood toen zijn ambulance werd geraakt door een tankgranaat.


In Balata ging het Israelische leger van huis tot huis, dwars door de muren heen. Ze gebruikten explosieven of gereedschap om muren in appartementsgebouwen te doorbreken. Een pad van vernieling, dwars door privéwoningen. Huizen die nog overeind stonden, waren in feite onveilig verklaard. Het kamp was veranderd in een ruïne.

In de vluchtelingenkampen werden honderden Palestijnen opgepakt. Mannen tussen de zestien en veertig jaar moesten zich melden bij een school. Daar werden ze onder schot gehouden, geboeid, en vervolgens afgevoerd. Enkele dagen later, wanneer het ergste van het geweld enigszins is geluwd, arriveert een inspecteur van de VN. Peter Hansen, de Commissaris-Generaal van UNRWA. Wat hij ziet, schokt zelfs een man die gewend is aan het lijden in de kampen. Sommigen zagen hierin de sabotage van een Saoedisch vredesinitiatief.

Met een plan voor vrede probeerde Saoedi-Arabië de Tweede Intifada, een einde te maken aan de opstand die sinds september 2000 gaande was. De Arabische landen zouden Israel volledig erkennen en normale betrekkingen aangaan in ruil voor de volledige terugtrekking van het Israelische leger uit de door Israel bezette gebieden en een rechtvaardige oplossing voor Palestijnse vluchtelingen.

Eind maart zouden de leiders van deze landen samen komen voor hun jaarlijkse top, dit keer in Beiroet. Ondanks de aanvallen op de kampen in Jenin en Balata bij Nabloes, keuren de landen het plan unaniem goed. Maar de klok tikte.

Op exact dezelfde dag dat de Arabische Liga het vredesinitiatief in Beiroet bekrachtigde, sloeg het geweld toe. Met de drang naar een reactie werd het kruidvat verder gevuld en van het Arabische initiatief kwam weinig terecht.

Op 27 maart 2002. Terwijl Arabische diplomaten arriveren voor hun top in Beiroet blaast een Palestijn zichzelf op in het Park Hotel in Netanya.

Deze aanslag verschafte premier Sharon precies wat hij nodig had. Op het moment dat het Saoedische vredesplan terrein won en de Arabische Liga het aannam, lanceerde Israël zijn grootschalige aanval. Al voor de bomaanslag in het Park Hotel in Netanya, berichtten Israëlische kranten dat militaire planners een grootschalige aanval voorbereiden op Palestijnse steden, dorpen en vluchtelingenkampen. Deze invasie zou groter zijn dan alle vorige. De explosie in het Park Hotel op 27 maart zette de oorlogsmachine opnieuw in gang.

Op de dag van de invasie werd m’n nichtjes werkelijkheid gereduceerd tot de vier muren van haar appartement. Op de dag van de inval in Ramallah belde Ghadir me al vroeg op. Ik was al op kantoor. Ze zag zes tanks in de straat. Haar stem trilde aan de andere kant van de lijn. Zes tanks die door de straat denderden, blindelings. Een geparkeerde auto werd verpletterd, alsof het niets was. In een ander deel van Ramallah was ook mijn tante Fatima al vroeg wakker. De stad werd onmiddellijk een afgesloten militair gebied.

In zijn boek ‘When the Birds Stopped Singing’ beschrijft Raja Shehadeh het leven in Ramallah tijdens de invasies.

Elektriciteit uit. Water afgesloten. Het leger viel ook de kantoren van persbureaus en televisiezenders binnen. Radiostations gingen uit de lucht en zelfs de Commissie ter Bescherming van Journalisten werd niet gespaard. Ghadir moest haar telefoonbatterij sparen. De angst was niet alleen voor haarzelf, maar voor haar ouders in Nabloes, waar de situatie nog erger zou worden.

Tijdens de operatie riep het leger via luidsprekers alle mannen tussen 16 en 50 jaar op om zich te melden voor ondervraging. Honderden mannen waren al vóór de inval opgepakt en naar de Israëlische legerbasis Ofer getransporteerd. De Muqata’a, het Arafat complex, het hoofdkwartier van de Palestijnse Autoriteit in Ramallah, werd omsingeld en zwaar beschoten. Tanks beukten gaten in de muren en haalden hekken neer.

Ook in Bethlehem, ten zuiden van Jeruzalem, viel het Israelische leger binnen en de Geboortekerk werd het epicentrum. 37 dagen lang werd dit het toneel van de bezetting en het verzet daartegen.

Terwijl tanks en gepantserde voertuigen de stad binnen rolden, werd een uitgaansverbod afgekondigd. Zeven Palestijnen werden gedood. Priesters en nonnen raakten gewond. In de kerk hadden Palestijnse strijders en inwoners, waaronder vrouwen en kinderen, hadden hun toevlucht gezocht in de kerk. En het complex werd omsingeld.

Op 3 april trok het Israelische leger de stad Jenin en het gelijknamige vluchtelingenkamp binnen. Daar, op een klein, overbevolkt gebied waar zo’n 14 duizend Palestijnen woonden, ging het licht uit. Ook die plek werd uitgeroepen tot speciaal gesloten militair gebied.

Hulpverleners, medisch personeel, journalisten. Alle internationale medewerkers. Niemand kwam binnen - ook onze medewerkers niet. Geen pottenkijkers wanneer schendingen worden begaan. Twaalf lange dagen van intense gevechten en verwoesting in het kamp was geen enkele onafhankelijke waarnemer aanwezig.

Niemand van buiten kon bevestigen wat zich in dat kleine, afgesloten kamp, afspeelde.

Het Israelische leger blokkeerde de doorgang van ambulances en medisch personeel. Zieken en gewonden zaten opgesloten. We kregen wel de noodkreten te horen. Een 58-jarige vrouw stierf aan haar verwondingen nadat het leger herhaaldelijk weigerde een ambulance toe te laten terwijl het ziekenhuis slechts een paar honderd meter verderop was. Ambulances van de Rode Halve Maan werden onder vuur genomen. Een verpleegster, duidelijk herkenbaar aan haar uniform, werd gedood terwijl ze een gewonde inwoner probeerde te helpen.

Zelfs nadat het zwaarste geweld was geluwd, bleven de Verenigde Naties en het Rode Kruis dagenlang onderhandelen. Ze smeekten om toegang. Zonder resultaat.

We kregen de stellige indruk dat die onwil om toegang te verlenen - zelfs nadat de meeste gewapende Palestijnen zich hadden overgegeven - te maken had met iets anders. Het Israelische leger had een aantal Israelische journalisten onder militaire begeleiding toegang verleend maar toen de VN vroeg om vergelijkbare toegang werd dit geweigerd.

In Ramallah was de stroom even terug. Ghadir kon haar telefoon opladen maar de paniek was voelbaar in haar stem. Ze zei dat vijftien jongens haar gebouw waren binnen gevlucht. Haar buurman had gevraagd of ze onderdak kon bieden aan twee van hen, omdat het te gevaarlijk was als de groep in één appartement zou blijven. Ze stelde voor dat ze hen als familieleden zou beschouwen. Ze had geen keuze. Ze zette thee voor de doodsbange jongens. En vanuit haar keukenraam zag ze hoe een peloton Israëlische soldaten het huis naast hen binnenviel en twee jongens arresteerde. Voor het gebouw tegenover hen blies het leger vier Palestijnse politieauto’s op.

De invasies in Palestijnse steden in 2002 waren tot dan toe het grootste Israëlische offensief sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967. De steden werden overreden door tanks en de beschietingen waren non-stop. En dan een adempauze. Het uitgaansverbod werd voor slechts twee uur opgeheven. Ghadir moest brood halen voor haar 'huisgenoten'. Wat ze op straat zag, was de rauwe, fysieke vernietiging. Gebouwen beschadigd, auto's vernield. Overal de afdrukken van rupsbanden. Op elke hoek een tank.

Ghadir was te laat. Het uitgaansverbod was nog niet ingegaan maar soldaten richtten hun wapens op haar. Ze gilde dat ze hier woonde. En dat het druk was bij de bakker. Ze moest stil blijven staan, met de automatische wapens op haar gericht. Totdat het leger klaar was met hun werk: het arresteren van een Palestijnse brandweerman die het had gewaagd een gebouw te blussen tijdens het uitgaansverbod.

Op 15 april werd Marwan Barghouti door het Israelische leger opgepakt. Op dat moment een van de politieke leiders van het verzet. Palestijnen zagen in hem een nieuwe generatie en potentieel de opvolger van Yasser Arafat. Hij kwam uit een dorpje in de buurt van Ramallah en was in zijn jonge jaren actief in de studenten protesten. Vlak voor het uitbreken van de volksopstand in 1987 werd hij gedeporteerd.

Met de Oslo akkoorden keerde hij terug naar Ramallah. Hij geloofde in het vredesproces en werd in 1996 gekozen in de kersverse Palestijnse Wetgevende Raad. Maar door de voortdurende bezetting en de continue bouw van nederzettingen raakte hij gedesillusioneerd. Met het uitbreken van de Tweede Intifada in september 2000 leidde hij binnen zijn politieke beweging het verzet. Een paar maanden voor zijn arrestatie schreef hij een veel gelezen opiniestuk in de Washington Post. Hij was van mening dat Israël pas veiligheid zal hebben na het einde van de bezetting. En hij vond dat bij afwezigheid van bescherming van buitenaf, Palestijnen zichzelf moesten kunnen verdedigen.

Voor Israël was hij meteen een terrorist en beschuldigde hem van aanslagen. Tijdens zijn verhoor werd hij gemarteld en zijn ondervragers dreigden zijn zoon te doden wat ze bij hem al eerder hadden geprobeerd toen hij ternauwernood ontsnapte aan een aanslag op zijn leven toen zijn auto werd bestookt door een helicopter.

Zijn rechtsgang werd een politiek proces.

De man die een brug kon slaan, geloofde in het vredesproces en had gepleit voor een tweestatenoplossing werd nu terechtgesteld voor zijn strijd. Hij is nog altijd even populair onder Palestijnen en wordt inmiddels al bijna net zo lang politiek gevangen gehouden als Nelson Mandela ooit.

In Nabloes werkte m’n oude buurtgenoot Ala aan de Najah Universiteit. Hij woont daar met z’n familie. Op de dag dat het leger Nabloes binnenviel, stopten drie tanks voor zijn huis. Het huis van zijn familie werd een militaire basis.

Zeventien bewoners. De familie van Ala. Ze werden in één kamer gedreven. Ze mochten niet bewegen, niet praten. Twee soldaten hielden hen onder schot. De rest doorzocht en nam het huis over. Vanuit het hoger gelegen Ras al-Ain, de buurt waar hun huis staat, beschoten de soldaten de oude stad van Nabloes, waar hevig verzet was. De vloer trilde. Ze hadden geen stroom, en het was koud. Ala’s zwangere zus mocht alleen naar het toilet onder begeleiding van een soldaat. Ala’s vader was net herstellende van een hartaanval. Hij kon zijn medicijnen niet vinden.

Op een avond namen de soldaten Ala’s broertje mee naar de oude stad. Toen ze het gebouw uitliepen begon hij te schreeuwen. De soldaten die hem vasthielden, sloegen op hem in terwijl ze hem voor zich uit duwden. Ze schoten met een wapen dat ze op zijn schouder lieten rusten. Hij viel flauw en werd afgeranseld. Een paar uur later brachten ze hem terug. Zijn gezicht zat onder het bloed. Fysiek leefde hij maar mentaal was hij begroken.

Het familiehuis van Ala werd een detentiecentrum. Opgepakte Palestijnen werden door het leger naar het huis gebracht voor verhoor en mishandelingen. De familie hoorde alles. Ala had ze gezien, in het trappenhuis, de gevangen jongens, geblinddoekt, handen op hun rug, een zwarte zak over hun hoofd. Eén jongen weigerde te antwoorden. En toen: een schot. De jongen was in zijn buik geraakt. Even later kwamen de soldaten de woonkamer in. Ze moesten de jongen buiten in een pantservoertuig leggen. Ze hebben hem nooit meer teruggezien. Toen de soldaten vertrokken was het appartement geplunderd. Computers, telefoons, goud. Weg. En een muur van Ala’s kamer, vol met herinneringen, foto’s en gedichten zat nu vol met kogelgaten.

Intussen werd in de Geboortekerk in Bethlehem de situatie onhoudbaar. Op 8 april braken gevechten uit rond de kerk. Er ontstond brand. Een Palestijnse politieagent werd doodgeschoten door een sluipschutter toen hij de vlammen probeerde te blussen. Twee dagen later raakte een Armeense priester ernstig gewond door schoten. En op 29 april schoot een sluipschutter opnieuw een Palestijn dood binnen de omtrek van de kerk. De boodschap van de belegeraars was onmiskenbaar: niemand was veilig.

Drie weken na de start trok het Israëlische leger zich terug. Ghadir, vastbesloten om naar Nabloes te gaan, waagde de reis. De controleposten rond Ramallah waren weg. Een vreemd gevoel van optimisme. Maar bij Huwara, het centrale checkpoint naar Nabloes, verdween dat gevoel. Uiteindelijk moesten zij en haar huisgenoot worden afgezet in het dorpje Burin. VBier uur te voet klommen ze naar Nabloes. Mijn familie kon hun ogen niet geloven toen ze haar zag. De volgende dag bezocht ze de oude stad van Nabloes. Ze kon niet stoppen met huilen toen ze de verwoeste eeuwenoude binnenstad zag. Dertig eeuwen beschaving verwoest in een paar dagen. In Bethlehem eindigde de patstelling in de Kerk uiteindelijk op 7 mei met de deportatie van 30 Palestijnen. Drie dagen later trok het Israelische leger zich terug uit de stad. Het beleg duurde daar drie weken langer.

Spotify podcast player badge

Apple Podcasts podcast player badge

Podimo Podcasts podcast player badge

NRC Feed podcast player badge

RSS Feed podcast player badge